Appellant was sinds 28 januari 2009 arbeidsongeschikt en ontving verschillende WGA-uitkeringen. Zijn dienstverband bij Achmea eindigde op 1 september 2012. Appellant verrichtte vanaf juli 2012 werkzaamheden voor de gemeente, waarvoor een betaling mocht worden verwacht. Het UWV ontzegde appellant per 3 september 2012 de WW-uitkering omdat hij zijn hoedanigheid als werknemer had verloren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de werkzaamheden van appellant voor de gemeente economisch voordeel opleverden, waardoor hij niet als werknemer in de zin van de WW werd beschouwd. Appellant stelde dat zijn werkzaamheden beperkt waren en geen economisch voordeel opleverden, maar dit werd niet gevolgd.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en stelde vast dat appellant tussen de 28 en 30 uur per week werkte voor de gemeente. De Raad concludeerde dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellant zijn hoedanigheid als werknemer verloor per 1 september 2012 en dat het recht op WW-uitkering per 3 september 2012 is geëindigd. Het hoger beroep werd verworpen.