ECLI:NL:CRVB:2015:4104
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
Belanghebbende viel uit wegens een neurologische aandoening en werkte als productieleider bij appellante. Het UWV verlengde het recht op loon tijdens ziekte met 52 weken vanwege onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante, wat bekendstaat als een loonsanctie.
Appellante en belanghebbende maakten bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde dit ongegrond. De rechtbank Limburg oordeelde dat appellante zich weliswaar heeft ingespannen, maar dat de re-integratie onvoldoende was omdat de werkzaamheden niet verder werden uitgebreid dan 10 uur per week, terwijl de belastbaarheid hoger was.
In hoger beroep stelde appellante dat de beperkte arbeidsomvang het maximaal haalbare was gezien de aandoening en behandelingen van belanghebbende. De Raad concludeerde echter dat de bedrijfsarts ten onrechte de belastbaarheid op 10 uur per week had gesteld en dat appellante tekort was geschoten in haar re-integratieverplichtingen.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en oordeelde dat het beroep op het deskundigenoordeel niet tot een ander oordeel leidt, omdat de re-integratie na het revalidatietraject alsnog is gestagneerd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen blijft van kracht.