ECLI:NL:CRVB:2015:2429
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
Een werknemer was sinds oktober 2009 ziek als gevolg van een verkeersongeval en hervatte haar werkzaamheden geleidelijk vanaf maart 2010. Een arbeidsdeskundige concludeerde in september 2010 dat de opbouw van werkzaamheden passend was en dat de re-integratie-inspanningen van de werkgever voldoende waren.
Het UWV verlengde de loondoorbetalingsperiode meerdere malen vanwege onvoldoende re-integratie-inspanningen van de werkgever. In maart 2012 legde het UWV een loonsanctie van 52 weken op omdat de werkgever onvoldoende had gedaan om de werknemer te laten re-integreren, met name door het niet tijdig inzetten van het tweede spoor.
De werkgever maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de loonsanctie ongegrond en bevestigde dat de werkgever tekort was geschoten in haar re-integratieverplichtingen.
In hoger beroep stelde de werkgever dat de loonsanctie onterecht was en dat de werknemer haar maximale arbeidsprestatie leverde. De Raad oordeelde echter dat de werkgever onvoldoende had gedaan, mede omdat de arbeidsuren stagneerden en het tweede spoor niet was ingezet. De medische rapporten en deskundigenoordelen ondersteunden deze conclusie.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De loonsanctie van 52 weken wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd.