Uitspraak
OVERWEGINGEN
4.8. Uit 4.7 tot en met 4.7.5 volgt dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat appellanten gedurende de hier te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat terecht een gezamenlijke huishouding is aangenomen. Appellante heeft in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting daarvan geen melding gemaakt aan het college met als gevolg dat aan appellante in genoemde periode ten onrechte als zelfstandig subject bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder is verleend. Dit betekent dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante in te trekken over de periode van 1 juni 2011 tot en met 22 februari 2012.