Uitspraak
21 november 2013, 11/2028 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 5 juni 1997 in dienst bij een werkgever en werd wegens reorganisatie boventallig verklaard, met beëindiging van het dienstverband per 3 juli 2009. Appellant voerde diverse procedures om zijn dienstverband te behouden, maar deze werden afgewezen. Hij vroeg op 10 september 2010 een WW-uitkering aan, die het Uwv per 17 november 2010 weigerde omdat appellant verwijtbaar werkloos zou zijn geworden. Dit werd later gewijzigd naar het standpunt dat appellant niet beschikbaar was voor arbeid.
De rechtbank oordeelde dat appellant zich niet reëel beschikbaar had gesteld voor arbeid, omdat hij zich uitsluitend richtte op zijn voormalige werkgever terwijl het dienstverband was beëindigd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij zich vanwege het arbeidsrechtelijke geschil beschikbaar moest houden voor zijn voormalige werkgever en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, maar de Raad verwierp deze argumenten.
De Raad stelde vast dat het begrip 'beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden' een feitelijke toestand betreft, die beoordeeld moet worden aan de hand van concrete omstandigheden. Omdat de werkgever niet bereid was arbeid te verschaffen en appellant zich niet voor andere arbeid beschikbaar stelde, was er geen reële beschikbaarheid. Ook het concurrentiebeding stond dit niet in de weg. De Raad bevestigde dat appellant vanaf 3 juli 2009 geen recht had op WW-uitkering en dat ook na het starten van zelfstandige activiteiten niet aan de referte-eis was voldaan.
Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd eveneens verworpen. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant vanaf 3 juli 2009 niet reëel beschikbaar was voor arbeid en daarom geen WW-uitkering ontvangt.