Appellant ontving sinds 2004 een WAO-uitkering en vroeg in 2008 een toeslag aan op grond van de Toeslagenwet. Het UWV herzag in 2013 de toeslag en legde een boete op wegens het niet melden van inkomsten uit een WAO-hiaatverzekering. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar in hoger beroep erkende de Centrale Raad van Beroep dat de draagkracht van appellant beperkt is.
De Raad oordeelde dat een boete van €360 onevenredig is gezien de aflossingscapaciteit van €24,70 per maand. Daarom werd de boete gematigd tot €300. Verder werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant.
De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige afweging van persoonlijke omstandigheden bij het opleggen van boetes in het kader van socialezekerheidsrecht en benadrukt dat draagkracht een matigende factor kan zijn.