Appellante is wegens lichamelijke en psychische klachten arbeidsongeschikt geraakt en ontving een loongerelateerde WGA-uitkering met een vastgestelde arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%.
Het UWV stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 67,87%, waartegen appellante bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank ten onrechte dit standpunt handhaafde.
De Raad concludeerde dat de verzekeringsgeneeskundige rapporten en arbeidsdeskundige beoordelingen een hogere mate van arbeidsongeschiktheid van 71,15% rechtvaardigen. Dit leidt tot een wijziging van de inkomenseis en daarmee tot vernietiging van het eerdere besluit.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep en bepaalde dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.