Appellant had een pgb voor hulp bij het huishouden toegekend gekregen voor de periode 2008-2013. Na een nieuwe aanvraag in 2013 wees het college deze af omdat een huisgenoot, [A.], de huishoudelijke taken zou kunnen overnemen. Het college stelde dat sprake was van gebruikelijke zorg of mantelzorg door deze huisgenoot. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en volgde het college.
In hoger beroep betwistte appellant dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding met [A.], mede omdat beiden een bijstandsuitkering als alleenstaande ontvingen. De Raad oordeelde dat het college terecht geen gezamenlijke huishouding aannam, mede omdat [A.] een betaling verlangde voor zijn huishoudelijke werkzaamheden, waardoor geen sprake was van mantelzorg.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en bepaalde zelf dat appellant vanaf 1 september 2013 recht heeft op vier uren hulp bij het huishouden per week via een pgb. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.