ECLI:NL:CRVB:2015:4444

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 december 2015
Publicatiedatum
9 december 2015
Zaaknummer
14/4050 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 ZWArt. 33 ZWArt. 68 ZWArt. 72 ZW
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering ZW-uitkering wegens hogere inkomsten dan verzekerd dagloon

Appellante was vrijwillig verzekerd voor de Ziektewet (ZW) en viel in januari 2011 uit wegens ziekte. Het UWV stelde aanvankelijk een ZW-uitkering vast op basis van een dagloon van €57,96. Later bleek dat appellante als zelfstandige gemiddeld €142,39 per dag verdiende, hoger dan het verzekerde dagloon. Het UWV stelde daarom de ZW-uitkering met ingang van 20 januari 2011 op nihil en vorderde de reeds betaalde uitkering van €10.061,40 terug.

De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante tegen deze besluiten ongegrond, waarna appellante in hoger beroep ging. Zij voerde aan dat het dagloon voor de vrijwillige verzekering een door haar gekozen bedrag was en niet representatief voor haar werkelijke inkomen, en dat zij niet was geïnformeerd over verrekening van inkomsten met de ZW-uitkering.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat artikel 31, tweede lid, van de ZW (oud) van toepassing is op vrijwillig verzekerden en dat het UWV verplicht is de uitkering te verminderen met inkomsten uit arbeid tijdens ziekte. Het feit dat appellante het dagloon zelf had vastgesteld en zich verzekerde tegen inkomensderving, maakt dat zij rekening had moeten houden met verrekening. De berekening van de inkomstenvermindering was niet betwist. Het hoger beroep faalde en de terugvordering werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de ZW-uitkering op nihil heeft gesteld en de terugvordering heeft gedaan.

Uitspraak

14/4050 ZW
Datum uitspraak: 9 december 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
13 juni 2014, 14/638 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M. Koolhoven hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2015. Namens appellante is verschenen mr. Koolhoven. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigd door mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellante heeft zich als zelfstandigemet ingang van 19 juni 1995 vrijwillig verzekerd voor de Ziektewet (ZW). Zij is op 18 januari 2011 uitgevallen wegens ziekte.
1.2.
Bij besluit van 8 februari 2011 heeft het Uwv appellante met ingang van 20 januari 2011 in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering, berekend op grond van een dagloon van
€ 57,96.
1.3.
In 2011 heeft appellante met arbeid als zelfstandige gemiddeld € 142,39 per dag verdiend.
1.4.
Bij besluit van 2 juli 2012 heeft het Uwv de hoogte van de ZW-uitkering van appellante met ingang van 1(lees 20) januari 2011 op nihil gesteld, omdat appellante vanaf 1 januari 2011 minstens evenveel heeft verdiend als het verzekerde dagloon.
1.5.
Bij besluit van 4 juli 2012 heeft het Uwv de aan appellante over de periode van
18 (lees 20) januari 2011 tot en met 31 december 2011 betaalde ZW-uitkering, ter hoogte van
€ 10.061,40, teruggevorderd.
1.6.
Bij beslissing op bezwaar van 31 oktober 2012 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 juli 2012 ongegrond verklaard.
1.7.
De rechtbank heeft bij uitspraak van 4 juli 2013 het beroep van appellante gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar van 31 oktober 2012 vernietigd en bepaald dat het Uwv opnieuw op het bezwaar van appellante moet beslissen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv heeft miskend dat het bezwaar van appellante ook gericht was tegen het besluit van 2 juli 2012.
1.8.
Bij beslissing op bezwaar van 12 december 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 2 en 4 juli 2012 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat artikel 31, tweede lid, van de ZW (oud, zoals deze bepaling gold voor 1 juli 2011) van toepassing is en dat voor de berekening van het uit te keren ziekengeld moet worden uitgegaan van het door appellante verzekerde dagloon en niet van een dagloon op grond van de inkomsten van appellante voorafgaande aan de eerste ziektedag. Het Uwv heeft volgens de rechtbank terecht en op goede gronden vastgesteld dat er geen recht op uitbetaling van de ZW-uitkering bestond omdat de inkomsten van appellante in het jaar 2011 hoger waren dan het dagloon waartegen appellante was verzekerd. Dit betekent volgens de rechtbank tevens dat het Uwv terecht tot terugvordering is overgegaan.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep niet betwist dat artikel 31, tweede lid, van de ZW (oud) van toepassing is. Zij heeft onder verwijzing naar artikel 72 van Pro de ZW betoogd dat het in de rede ligt om artikel 31, tweede lid, van de ZW (oud) toe te passen, dat het ziekengeld en het inkomen niet meer mogen bedragen dan het inkomen in het jaar voorafgaande aan de eerste ziektedag, omdat het dagloon voor de vrijwillige verzekering een door de verzekerde gekozen bedrag is en daarom, anders dan bij de verplichte verzekering, geen goede weergave is van het gederfde inkomen. Appellante heeft in 1995 voor het door haar bepaalde dagloon gekozen omdat dit voor haar een acceptabel inkomen zou vormen naast de inkomsten die zij uit de onderneming zou ontvangen. Appellante heeft zich nooit gerealiseerd dat die inkomsten zouden worden verrekend met de ZW-uitkering. Zij is daar destijds niet door het Uwv over ingelicht.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 31, tweede lid, van de ZW (oud) ontvangt de verzekerde aan ziekengeld niet meer dan het bedrag waarmee zijn dagloon het bedrag van het door hem ontvangen loon overtreft.
4.2.
Op grond van artikel 72 van Pro de ZW zijn de bepalingen van deze wet van overeenkomstige toepassing in geval van vrijwillige verzekering, voor zover daarvan in de wet niet wordt afgeweken. De Raad heeft in zijn uitspraak van 27 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2429) geoordeeld dat hoofdstuk IV van de ZW-bepalingen bevat in verband met de vrijwillige verzekering, maar geen bepaling kent over anticumulatie van de ZW-uitkering met loon of andere inkomsten, zodat artikel 31 van Pro de ZW van overeenkomstige toepassing is op personen met een vrijwillige ZW-verzekering.
4.3.
Appellante heeft bij haar verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering, eerste lid, van de ZW, de hoogte van het dagloon bepaald. Het zo bij aanvang van de vrijwillige verzekering op grond van artikel 68, eerste lid, van de ZW vastgestelde verzekerde dagloon is daarna jaarlijks geïndexeerd. Vanaf 1 januari 2011 bedroeg het verzekerde dagloon van appellante € 57,96. Op grond van artikel 68, tweede lid, van de ZW wordt de uitkering op grond van de vrijwillige verzekering berekend naar het in het eerste lid van dat artikel bedoelde dagloon.
4.4.
Uit de in artikel 72 van Pro de ZW voorgeschreven overeenkomstige toepassing van
artikel 31 van Pro de ZW volgt dat inkomsten uit arbeid als zelfstandige tijdens ziekte in mindering moeten worden gebracht op het bedrag dat aan ziekengeld kan worden uitgekeerd. Zijn die inkomsten omgerekend per dag hoger dan het verzekerde dagloon dan kan geen ziekengeld worden uitgekeerd. Anders dan appellante heeft gesteld, is het inkomen uit arbeid als zelfstandige in het jaar voorafgaande aan de eerste ziektedag dus niet bepalend voor wat aan ziekengeld kan worden uitgekeerd. Uit de bewoordingen van artikel 31 van Pro de ZW vloeit voort dat het Uwv, indien het vaststelt dat aan de in artikel 31, tweede lid (oud), van de ZW vermelde voorwaarde is voldaan, verplicht is om over te gaan tot korting van de
ZW-uitkering. De bewoordingen, doel en strekking van dit artikel staan er in beginsel niet aan in de weg dat dit artikel met terugwerkende kracht wordt toegepast. Dat appellante zich nooit heeft gerealiseerd dat haar inkomsten tijdens ziekte zouden worden verrekend met de
ZW-uitkering, maakt dat niet anders. Appellante heeft de hoogte van het dagloon zelf bepaald en heeft zich verzekerd tegen inkomensderving. Zodoende had het haar redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat het hebben van inkomsten in een periode waarover ook
ZW-uitkering is uitgekeerd van invloed zou kunnen zijn op de (uitbetaling van) de
ZW-uitkering.
4.5.
De berekening van de op de ZW-uitkering in mindering te brengen inkomsten op grond van artikel 31, tweede lid (oud), van de ZW is niet aangevochten. Op grond daarvan heeft het Uwv op grond van artikel 31, tweede lid, van de ZW (oud) de hoogte van de ZW-uitkering met ingang van 20 januari 2011 terecht op nihil gesteld: Het ziekengeld over de periode van 20 januari 2011 tot en met 31 december 2011 is dus onverschuldigd betaald. Tegen het besluit tot terugvordering van dit onverschuldigd betaalde ziekengeld met toepassing van artikel 33, eerste lid, van de ZW zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd.
4.6.
Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en B.M. van Dun en
C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2015.
(getekend) G.A.J. van den Hurk
(getekend) K. de Jong

NK