ECLI:NL:CRVB:2015:4445
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde WW-uitkering wegens verlies werknemerschap door hennepkwekerij
Appellant ontving een WW-uitkering over de periode van 14 augustus tot en met 13 november 2009, gebaseerd op het verlies van gemiddeld 40 arbeidsuren per week. Naar aanleiding van een proces-verbaal van de politie over overtreding van artikel 3 van Pro de Opiumwet startte het Uwv een onderzoek en besloot de uitkering vanaf 15 oktober 2009 in te trekken en de onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het Uwv voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant vanaf week 42 van 2009 als zelfstandig hennepkweker werkte en daardoor zijn werknemerschap had verloren. Appellant stelde dat het proces-verbaal te laat was ingebracht en dat hij pas na de WW-periode met de hennepkwekerij was begonnen.
De Centrale Raad oordeelde dat het te late overlegging van het proces-verbaal niet leidde tot een oneerlijk proces, mede omdat appellant en zijn gemachtigde het rapport werknemersfraude reeds kenden en voldoende gelegenheid hadden gekregen om het proces-verbaal te bestuderen en te bespreken. Het oordeel van de rechtbank dat appellant gehouden kan worden aan zijn verklaring van 9 maart 2010 werd onderschreven. Appellant kon niet aannemelijk maken dat hij pas na de WW-periode was gestart met de hennepkwekerij.
De Raad bevestigde dat het Uwv de onverschuldigd betaalde WW-uitkering terecht terugvordert en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de WW-uitkering bevestigd.