ECLI:NL:CRVB:2015:4535
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning vijf uur en twintig minuten hulp bij huishouden op grond van Wmo
Appellante kwam sinds 1 januari 2008 in aanmerking voor hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Na een herindicatie op 27 juni 2012, waarbij rekening werd gehouden met haar lichamelijke aandoeningen en de bijdrage van haar echtgenoot, kende het college vijf uur en twintig minuten hulp per week toe.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en vorderde meer uren hulp, stellende dat haar medische situatie en de arbeidsongeschiktheid van haar echtgenoot een hogere indicatie vereisten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het college de normtijden conform het Indicatieprotocol juist had toegepast en dat appellante onvoldoende concreet had onderbouwd waarom de toegekende uren onvoldoende waren.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad stelt vast dat appellante niet concreet en verifieerbaar heeft aangetoond waarom vijf uur en twintig minuten onvoldoende zijn. Het advies van 27 juni 2012 toont dat het college geen inspanningen van appellante verwacht en alleen rekening houdt met de daadwerkelijke bijdrage van haar echtgenoot. Ook is de extra tijd voor zwaar huishoudelijk werk en wasverzorging vanwege haar ziekte adequaat meegenomen. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van vijf uur en twintig minuten hulp bij het huishouden wordt bevestigd.