ECLI:NL:CRVB:2015:4639
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering persoonsgebonden budget wegens niet-naleving verantwoordingsplicht
Appellant ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor de periode van 1 januari tot en met 21 juli 2011. Het zorgkantoor stelde het pgb vast op nihil en vorderde het uitbetaalde bedrag van €4.414,12 terug vanwege onvoldoende verantwoording van de besteding.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond omdat de overgelegde stukken, waaronder een arbeidsovereenkomst, kwitanties, bankafschriften en urenstaten, onvoldoende duidelijkheid boden over de aard en omvang van de verleende zorg en de daadwerkelijke betalingen. Appellant stelde in hoger beroep dat uit de urenstaten en verklaringen blijkt dat de zorg grotendeels uit persoonlijke verzorging bestond en dat het pgb voor 90% correct is besteed.
De Raad oordeelt dat appellant niet aan zijn verantwoordingsplicht heeft voldaan. De arbeidsovereenkomst vermeldde ook huishoudelijke werkzaamheden, de contante opnames kwamen niet overeen met de kwitanties en appellant kon geen verklaring geven over mogelijke overlap met een ander pgb. Het zorgkantoor heeft appellant voldoende gelegenheid geboden om te verantwoorden, maar dit is niet afdoende gebeurd.
De discretionaire bevoegdheid van het zorgkantoor om het pgb vast te stellen is rechtmatig uitgeoefend, waarbij belangen van publieke middelen en appellant zijn afgewogen. Er zijn geen feiten die rechtvaardigen dat het pgb-bedrag niet op nihil wordt gesteld en de terugvordering wordt gehandhaafd. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van het pgb wegens niet-naleving van de verantwoordingsplicht.