ECLI:NL:CRVB:2015:4694
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot ineensbetaling arbeidsongeschiktheidsuitkering WAO
Appellant ontvangt sinds 1995 een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO, laatstelijk berekend op 35-45% arbeidsongeschiktheid. Hij verzocht het UWV om zijn uitkering tot de einddatum ineens uit te keren om een horecaonderneming te financieren. Dit verzoek werd afgewezen omdat de WAO uitgaat van maandelijkse betalingen en de regeling voor contante waarde vordering niet bedoeld is voor kapitalisatie van toekomstige uitkeringen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en onderschreef het standpunt van het UWV. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn medische situatie stabiel is en dat het UWV onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de mogelijkheid van ineensbetaling. De Raad oordeelde dat de systematiek van de WAO zich verzet tegen een afkoopsom en dat de onzekerheden omtrent de hoogte en duur van de uitkering dit niet rechtvaardigen.
De Raad bevestigde daarmee de aangevallen uitspraak en wees het verzoek af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 18 december 2015.
Uitkomst: Het verzoek tot ineensbetaling van de WAO-uitkering wordt afgewezen vanwege de systematiek van maandelijkse betaling.