ECLI:NL:CRVB:2015:4748
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- M. ter Brugge
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en op geld waardeerbare werkzaamheden
Appellant ontving vanaf november 2011 bijstand op grond van de WWB. Naar aanleiding van een tip startte de Sociale Recherche een onderzoek naar mogelijke inkomsten uit werkzaamheden als monteur/garagehouder. Het college trok de bijstand met ingang van maart 2012 in en vorderde de kosten over de periode tot augustus 2013 terug. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant dat hij geen op geld waardeerbare werkzaamheden had verricht, slechts aan zijn oldtimer had gesleuteld en zijn zoon het vak wilde bijbrengen. De Raad oordeelde echter dat er voldoende bewijs was dat appellant samen met een vriend een garagebedrijf had opgezet, advertenties plaatste, een loods huurde en daar meerdere dagen per week aan auto’s van derden sleutelde. Dit betrof op geld waardeerbare arbeid, ongeacht of hij daar direct inkomsten uit ontving.
De Raad verwees naar vaste jurisprudentie dat het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden relevant is voor het recht op bijstand, ook als er geen daadwerkelijke inkomsten zijn. Appellant had zijn activiteiten niet gemeld, waardoor hij de inlichtingenverplichting schond. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting en het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden.