ECLI:NL:CRVB:2015:4851
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging loongerelateerde WGA-uitkering bij niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
Appellant was technisch metaalbewerker en meldde zich ziek met rugklachten in 2009. Het UWV kende hem vanaf 2011 een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 100%. In 2013 besloot het UWV deze uitkering te beëindigen en een WGA-loonaanvullingsuitkering toe te kennen, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd bleef. Appellant stelde dat zijn arbeidsongeschiktheid niet alleen volledig maar ook duurzaam was, en dat het UWV ten onrechte verbetering verwachtte.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, verwijzend naar medische rapporten waaruit bleek dat behandeling en pijnbestrijding nog mogelijk waren. In hoger beroep handhaafde de Raad dit oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had geconcludeerd dat er op de datum in geding nog een meer dan geringe kans op herstel bestond, mede door een nog niet gestart psychologisch behandeltraject.
Appellants argumenten dat eerdere behandelingen geen structurele verbetering brachten en dat zijn situatie medisch stabiel was, werden verworpen omdat de beoordeling moest plaatsvinden op basis van de situatie en medische informatie op de datum in geding. De Raad bevestigde dat het UWV terecht had vastgesteld dat appellant niet duurzaam arbeidsongeschikt was en daarom geen IVA-uitkering toekwam.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt is en wijst het hoger beroep af.