ECLI:NL:CRVB:2015:4866
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WW-uitkering wegens verblijf buitenland zonder toestemming
Appellant had een dienstverband dat eindigde op 1 juli 2012 en ontving daarop een WW-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering met terugwerkende kracht vanaf 7 september 2012, omdat appellant gedurende die periode in Suriname verbleef zonder geldige ontheffing. Tevens legde het UWV een boete op wegens het niet tijdig melden van het verblijf in het buitenland.
Appellant voerde aan dat hij mondeling toestemming had gekregen om in Suriname te verblijven en dat hij verkeerd was voorgelicht over de rol van het UWV en de Stichting Participatiefonds. De rechtbank oordeelde dat het UWV niet gebonden was aan deze toezeggingen, en dat appellant het verblijf in het buitenland had moeten melden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel. Er was geen sprake van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging van een bevoegd orgaan. De brochures en het besluit wezen appellant erop dat verblijf in het buitenland anders dan wegens vakantie een uitsluitingsgrond is. De boete is proportioneel en rekening houdend met persoonlijke omstandigheden verminderd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De intrekking van de WW-uitkering en de opgelegde boete worden bevestigd en het beroep wordt ongegrond verklaard.