Appellant ontving een WW-uitkering en werkte in 2013 deels zonder tijdig en volledig te melden aan het UWV. Het UWV legde een boete op van €450,- wegens het niet en te laat melden van werkzaamheden bij twee werkgevers.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de boete ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep en stelde dat er geen opzettelijke fraude was en dat persoonlijke omstandigheden een boete onterecht maakten. Het UWV verlaagde de boete later naar €230,-.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant weliswaar uit eigen beweging meldde, maar dit niet tijdig en volledig deed, waardoor een boete terecht was. Gezien de omstandigheden en verminderde verwijtbaarheid werd de boete vastgesteld op €220,-. De eerdere uitspraak werd vernietigd en de boete aangepast.
De Raad wees geen proceskosten toe en bepaalde dat het griffierecht aan appellant wordt vergoed.