ECLI:NL:CRVB:2015:494
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische grondslag
Appellante, die sinds 2003 wegens psychische klachten arbeidsongeschikt was, kreeg in 2004 een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling trok het UWV in 2009 de uitkering in omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn. Appellante voerde aan dat haar beperkingen groter waren en dat haar klachten verergerd waren.
De Centrale Raad van Beroep liet een onafhankelijke deskundige, psychiater Van Duijn, een nader medisch onderzoek uitvoeren. Deze concludeerde dat er aanvullende beperkingen moesten worden opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), waardoor het besluit van het UWV niet op een juiste medische grondslag berustte. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak van de rechtbank.
Desondanks liet de Raad op grond van artikel 8:72 lid 3 Awb Pro de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat de arbeidsdeskundige had vastgesteld dat met de aanvullende beperkingen nog steeds voldoende passende functies beschikbaar waren en de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 15% bleef. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten aan appellante.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.