ECLI:NL:CRVB:2015:497
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling inkomsten en arbeidsongeschiktheidspercentage WAO-uitkering 2008-2009
In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep behandeld tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland waarin het beroep van appellant tegen een beslissing van het UWV werd afgewezen. Het UWV had vastgesteld dat appellant in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2009 werkzaamheden heeft verricht en op basis daarvan de WAO-uitkering had aangepast en teveel betaalde uitkering teruggevorderd.
De rechtbank Zutphen had in een eerdere uitspraak van 13 juni 2012 zonder voorbehoud vastgesteld hoe de inkomsten uit arbeid vanaf 2008 moesten worden vastgesteld en in hoeverre deze leiden tot anticumulatie van de WAO-uitkering. Omdat appellant tegen die uitspraak geen hoger beroep had ingesteld, oordeelde de rechtbank Gelderland terecht dat de beroepsgronden over de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage en terugvordering niet meer aan de orde konden komen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de schatting van de inkomsten onjuist was, dat hij wel een deugdelijke administratie had bijgehouden en dat de zaak complex genoeg was om een hogere wegingsfactor voor proceskosten toe te passen. De Raad verwierp deze gronden omdat appellant niet had onderbouwd waarom de zaak zwaarder dan gemiddeld was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en oordeelde dat de eerdere vaststellingen kracht van gewijsde hebben gekregen en dat de proceskostenvergoeding terecht was vastgesteld.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het hoger beroep af.