ECLI:NL:CRVB:2015:535
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verhoging WAO-uitkering wegens onvoldoende hulpbehoevendheid
Appellante ontvangt sinds 1977 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Zij verzocht het UWV om verhoging van haar uitkering wegens hulpbehoevendheid. Het UWV wees dit verzoek af omdat uit onderzoek van een verzekeringsarts niet bleek dat zij regelmatig en langdurig hulp en verzorging nodig had.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat zij recht had op een verhoging tot 100% van haar uitkering omdat zij hulp nodig had bij alle essentiële levensverrichtingen. Subsidiair stelde zij recht te hebben op een verhoging tot 85% omdat haar persoonsgebonden budget (pgb) alleen voorziet in verzorging, niet in oppassing.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht heeft geoordeeld dat er geen medische noodzaak is voor continu oppassing en dat het pgb reeds in belangrijke mate voorziet in haar behoefte aan oppassing en verzorging. Er was geen objectieve medische informatie die tot een ander oordeel leidde. Daarom werd de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om de WAO-uitkering van appellante te verhogen wegens het ontbreken van een situatie waarbij continu oppassing noodzakelijk is.