ECLI:NL:RBOBR:2016:904

Rechtbank Oost-Brabant

Datum uitspraak
3 maart 2016
Publicatiedatum
1 maart 2016
Zaaknummer
15_1940
Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verhoging WIA-uitkering wegens hulpbehoevendheid en noodzakelijke handreikingen door derden

In deze zaak heeft de Rechtbank Oost-Brabant op 3 maart 2016 uitspraak gedaan in een geschil over de verhoging van de WIA-uitkering van eiser wegens hulpbehoevendheid. Eiser had verzocht om een verhoging van zijn WGA-uitkering tot 85% op basis van zijn hulpbehoevendheid. De rechtbank constateerde dat eiser hulp nodig had bij essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en dat in de relevante periode niet in belangrijke mate in zijn behoefte aan oppassing en verzorging werd voorzien door een andere voorziening. Het geschil concentreerde zich op de vraag of er voldaan was aan het criterium dat geregelde handreikingen door derden noodzakelijk waren. De rechtbank oordeelde dat eiser om medische redenen een zodanige mate van oppassing nodig had, dat hij recht had op de gevraagde verhoging van zijn uitkering. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) en herstelde de WGA-uitkering van eiser over de relevante periode. Tevens werd verweerder veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding en het vergoeden van de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 15/1940

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 maart 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.C.L. van Eerten),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. J.W. van Schaik).

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eisers WGA-uitkering te verhogen wegens hulpbehoevendheid.
Bij besluit van 1 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiser heeft op 5 november 2015 een aanvullend beroepschrift met bijlagen ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2015. Eiser en verweerder hebben zich beiden laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in staat te stellen te reageren op het aanvullend beroepschrift van 5 november 2015.
Verweerder heeft bij brief van 30 november 2015 gereageerd. Daarop heeft eiser bij brief van 16 december 2015 een reactie gestuurd. Verweerder heeft hierop bij brief van 8 januari 2016 gereageerd.
Het onderzoek ter nadere zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2016. Eiser en verweerder hebben zich beiden laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is op 12 juli 2012 ten gevolge van fysieke klachten uitgevallen. Per 10 juli 2014 is aan eiser een WGA-uitkering toegekend. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald op 100%, omdat eiser geen benutbare mogelijkheden heeft. Eiser heeft in zijn bezwaarschrift van 5 juli 2014 tegen het betreffende besluit verweerder verzocht om een verhoging van zijn WGA-uitkering per 10 juli 2014 in verband met extra uitgaven voor hulp en verzorging.
Aan eiser is per 2 oktober 2014 een indicatie verleend voor persoonlijke verzorging en verpleging op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.
Bij besluit van 30 oktober 2015 heeft verweerder vastgesteld dat eiser met ingang van 26 juni 2015 recht heeft op een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten.
2. In artikel 63 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) is, voor zover hier van belang, bepaald dat indien de verzekerde, die slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, verkeert in een blijvende of voorlopig blijvende toestand van hulpbehoevendheid welke geregeld oppassing en verzorging nodig maakt, de WGA-uitkering voor de duur van die hulpbehoevendheid wordt verhoogd door vermenigvuldiging met ten hoogste de factor 100/70.
3. Met het oog op de uitvoering van deze bepaling heeft verweerder de Beleidsregel verhoging uitkering bij hulpbehoevendheid (Beleidsregel) vastgesteld. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregel wordt de uitkering verhoogd tot 85% van het dagloon, het vervolgdagloon of de grondslag, dan wel tot 85/75 van de arbeidsongeschiktheidsuitkering dan wel tot 85/75 of 85/70 van de WGA-uitkering, indien de verzekerde hulp nodig heeft bij sommige essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen en geregelde handreikingen door derden noodzakelijk zijn.
In het tweede lid is bepaald dat de uitkering niet wordt verhoogd indien uit hoofde van een andere voorziening reeds in belangrijke mate in de behoefte aan oppassing en verzorging van verzekerde wordt voorzien.
4. Eiser wenst op grond van hulpbehoevendheid over de periode van 10 juli 2014 tot en met 1 oktober 2014 in aanmerking te komen voor een verhoging van zijn WGA-uitkering naar een percentage van 85%. Dit betekent dat eisers situatie dient te worden getoetst aan de in artikel 3 van de Beleidsregel neergelegde criteria.
5. Niet meer in geschil is dat eiser hulp nodig heeft bij sommige essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen. Evenmin is in geschil dat in de hier relevante periode niet uit hoofde van een andere voorziening reeds in belangrijke mate in de behoefte aan oppassing en verzorging van eiser werd voorzien. Het geschil is beperkt tot de vraag of voldaan is aan het criterium dat geregelde handreikingen door derden noodzakelijk zijn.
6. Onder verwijzing naar de “Checklist/vragenlijst in verband met beoordeling eventuele ophoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering tot 85% of 100% van de grondslag c.q. het dagloon (art. 10 WAZ/9 Wajong/22 WAO)” (Checklist) stelt verweerder zich op het standpunt dat genoemd criterium ziet op handreikingen bij het lichamelijk functioneren, bij bezigheden in het algemeen of bij hobby en tijdsbesteding. Eiser moet grotendeels in staat worden geacht tot het zelfstandig uitvoeren van deze activiteiten. Aan het criterium dat geregelde handreikingen door derden noodzakelijk zijn, is daarom volgens verweerder niet voldaan.
7. Eiser voert aan dat geregelde handreikingen door derden wel degelijk noodzakelijk zijn. Hij heeft 24 uur per dag begeleiding nodig in verband met toiletgang en de controle van de huid. Alleen vanwege het feit dat camerabewaking is geïnstalleerd in zijn woning, is het mogelijk dat hij op bepaalde momenten alleen thuis is. Daarbij zijn noodnummers beschikbaar die eiser kan bellen als hij direct hulp nodig heeft. Hij wijst erop dat de primaire verzekeringsarts heeft geconcludeerd dat voldaan is aan het criterium dat geregelde handreikingen door derden noodzakelijk zijn.
8. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 22 december 2010, ECLI:CRVB:2010:BO9525 en 23 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:535) volgt dat de Beleidsregel de rechterlijke toetsing kan doorstaan.
9. De rechtbank stelt vast dat het begrip ‘geregelde handreikingen door derden’ in de Beleidsregel niet wordt gedefinieerd. In de Checklist wordt onder het kopje ‘Handreikingen van derden’ een aantal vragen geformuleerd, maar de status van de Checklist is onduidelijk. Verweerder heeft die duidelijkheid ook ter zitting niet kunnen verschaffen. Bovendien is de categorisering van de vragen in de Checklist niet helder. Zo wordt de vraag of hulp bij draaien/verliggen nodig is, gesteld onder het kopje ‘Verzorgingsbehoefte in verband met essentiële algemene dagelijkse levensverrichtingen’, maar de vraag of hulp bij verzitten nodig is, onder het kopje ‘Handreikingen van derden’. De rechtbank hecht daarom geen doorslaggevende betekenis aan de Checklist voor de uitleg van het begrip ‘geregelde handreikingen door derden’.
10. In artikel 63 van de Wet WIA is bepaald dat sprake moet zijn van hulpbehoevendheid die geregeld oppassing en verzorging nodig maakt. De rechtbank vat het vereiste in
artikel 3 van de Beleidsregel dat de betrokkene hulp nodig heeft bij sommige essentiële, dagelijks terugkerende levensverrichtingen, zo op dat dit vereiste een invulling is van het begrip ‘verzorging’ in artikel 63 van de Wet WIA. Het vereiste ‘geregelde handreikingen door derden’ vat zij op als een invulling van het begrip ‘oppassing’. Steun voor deze uitleg vindt de rechtbank in de uitspraak van de CRvB van 2 oktober 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:1911) waarin de betrokkene had verzocht om een verhoging van zijn WAO-uitkering naar 85% en waarin de CRvB heeft getoetst of er om medische redenen een noodzaak bestond voor toezicht of oppassing.
11. Op grond van de gedingstukken en hetgeen ter (nadere) zitting naar voren is gebracht, is de rechtbank er voldoende van overtuigd dat eiser om medische redenen een zodanige mate van oppassing nodig heeft, dat hij recht heeft op een verhoging van zijn uitkering tot 85%. Eisers woning is voorzien van camerabeveiliging, waarbij de camera is gericht op de woonkamer, eisers slaapkamer en de gang. In de periode waar het hier om gaat, checkte eisers echtgenote op haar werk ieder uur via de camera of alles goed ging met eiser. Door morfinegebruik was eiser namelijk suf en ook viel hij regelmatig. Met de camera kon eiser bovendien inzoomen op zijn wond, waardoor zijn echtgenote op afstand kon bezien of wondverzorging nodig was. Bij problemen ging zij zelf naar huis of schakelde zij een vriendin of eisers ouders in om hulp te bieden. Die hulp kon binnen tien minuten worden geboden.
Het feit dat de oppassing niet de vorm had van lijfelijke aanwezigheid van een oppasser, maar via cameratoezicht was geregeld, acht de rechtbank geen reden om te oordelen dat geen sprake is van oppassing. De door eiser gekozen vorm, waarbij zijn echtgenote zeer regelmatig via een camera naging of eiser hulp nodig had, welke hulp vervolgens binnen korte tijd ook daadwerkelijk werd geboden, acht de rechtbank voldoende om te kunnen spreken van oppassing in de zin van artikel 63 van de Wet WIA en geregelde handreikingen door derden in de zin van artikel 3 van de Beleidsregel. De oppassing is bovendien om medische redenen noodzakelijk, gelet onder meer op het medicijngebruik van eiser.
12. De rechtbank komt tot de conclusie dat aan alle in artikel 3 van de Beleidsregel gestelde criteria is voldaan. Verweerder heeft derhalve ten onrechte het verzoek van eiser om verhoging van zijn WGA-uitkering naar een percentage van 85% afgewezen. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Zij ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het primaire besluit wordt herroepen en dat eisers WGA-uitkering over de periode van 10 juli 2014 tot en met 9 september 2014 wordt verhoogd tot 85/75 van de WGA-uitkering en van 10 september 2014 tot en met 1 oktober 2014 tot 85/70 van de WGA-uitkering.
13. Eiser heeft verzocht om schadevergoeding, te weten vergoeding van de wettelijke rente. De rechtbank wijst dit verzoek toe. De wettelijke rente over de nabetaling van WIA-uitkering is gaan lopen op 1 oktober 2014, de eerste dag van de kalendermaand volgend op die waarin de beslistermijn van acht weken voor de toekenning van de verhoging van de WGA-uitkering was verstreken. Bij de berekening moet worden uitgegaan van het bruto-bedrag van de betrokken termijn. Tevens dient, voor iedere termijn afzonderlijk, telkens na afloop van een jaar het bedrag waarover de rente wordt berekend te worden vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente. De aldus berekende wettelijke rente loopt tot de dag van de algehele voldoening.
14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1240,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit, bepaalt dat eisers WGA-uitkering over de periode van 10 juli 2014 tot en met 9 september 2014 wordt verhoogd tot 85/75 van de WGA-uitkering en van 10 september 2014 tot en met 1 oktober 2014 tot 85/70 van de WGA-uitkering en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een schadevergoeding, zoals is aangegeven in paragraaf 13 van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1240,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.S. Klerk, voorzitter, en mr. E.J.J.M. Weyers en mr. J.J.J. Sillen, leden, in aanwezigheid van A.P.C. Lensvelt LLB, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2016.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.