ECLI:NL:CRVB:2015:546
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onvoldoende re-integratie-inspanningen en verlenging loondoorbetalingsverplichting WIA
Werkneemster viel op 23 februari 2010 uit wegens gezondheidsklachten. Appellante vroeg op 23 augustus 2011 een deskundigenoordeel aan over haar re-integratie-inspanningen. Het UWV oordeelde op 27 september 2011 dat deze onvoldoende waren. Na een WIA-aanvraag van werkneemster stelde een verzekeringsarts vast dat de bedrijfsarts ten onrechte geen benutbare mogelijkheden had aangenomen. Het UWV verlengde daarom op 11 januari 2012 de loondoorbetalingsverplichting met 52 weken tot 17 februari 2013.
Appellante maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen had geleverd en dat werkneemster wel belastbaar was. De rechtbank oordeelde dat het volgen van adviezen van de bedrijfsarts appellante niet ontslaat van haar verantwoordelijkheid voor de re-integratie.
In hoger beroep stelde appellante dat de rechtbank onvoldoende rekening hield met haar inspanningen en wees zij op de latere toekenning van een WIA-uitkering aan werkneemster. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze toekenning achteraf is gebaseerd op andere beoordelingsmaatstaven en niet tot een ander oordeel leidt. De Raad bevestigde dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de verlenging van de loondoorbetalingsverplichting wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd.