ECLI:NL:CRVB:2015:553

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2015
Publicatiedatum
25 februari 2015
Zaaknummer
14-2919 WIA-T
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:51d AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstelbesluit UWV inzake arbeidsongeschiktheid en WIA-uitkering na onjuiste motivering

Appellant viel in 2007 uit wegens rugklachten en vroeg in 2009 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank vernietigde dit besluit, maar liet de rechtsgevolgen intact. In hoger beroep betoogde appellant dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn beperkingen, met name het onvermogen om werk met hoog handelingstempo te verrichten.

De Raad volgde het deskundigenrapport van psychiater Van Eck, dat beperkingen vaststelde op meerdere punten, waaronder het niet kunnen uitvoeren van werk met hoog handelingstempo vanwege aandriftverlies. De Raad oordeelde dat het UWV de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) had moeten aanpassen en dat de nuancering van het UWV bij het item hoog handelingstempo onvoldoende gemotiveerd was.

De Raad concludeerde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom appellant niet in aanmerking zou komen voor een WIA-uitkering en droeg het UWV op binnen zes weken het besluit te herzien met inachtneming van de bevindingen. De Raad kon zelf niet in de zaak voorzien omdat het ontbreekt aan benodigde gegevens voor de beoordeling van het recht op uitkering.

Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herzien en binnen zes weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Uitspraak

14/2919 WIA-T
Datum uitspraak: 25 februari 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
14 april 2014, 10/4101 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2015.
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bogaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is op 28 september 2007 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als medewerker bij de Dienst Persoonsgegevens van de gemeente Amsterdam vanwege rugklachten.
1.2.
Op 28 september 2009 heeft appellant een aanvraag gedaan voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 5 februari 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat er geen recht op uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan omdat appellant op 25 september 2009, zijnde het einde van de geldende wachttijd, voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 16 juli 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan de ontzegging van de uitkering ligt ten grondslag dat appellant in staat wordt geacht om met zijn mogelijkheden en beperkingen in voor hem geschikte gangbare functies een zodanig inkomen te verwerven, dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 35%.
2.1.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 juli 2010. De rechtbank heeft aanleiding gezien psychiater J.P.A. van Eck als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. Van Eck heeft in zijn rapport van 31 juli 2013 vermeld dat appellant op 25 september 2009 beperkingen had als gevolg van depressieve klachten en klachten die passen bij een posttraumatische stressstoornis. Op grond van de bevindingen van de deskundige heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien tot bijstelling van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Naar aanleiding van de aangepaste FMLvan
7 oktober 2013 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de eerder geselecteerde functies opnieuw bezien en in een rapport van 7 oktober 2013 vermeld dat vier van de vijf geselecteerde functies gehandhaafd blijven en de mate van arbeidsongeschiktheid per
25 september 2009 ongewijzigd minder dan 35% bedraagt.
2.2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen ervan geheel in stand gelaten.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij om medische redenen niet in staat is de hem voorgehouden functies te vervullen. Appellant heeft aangevoerd dat het Uwv in de FML van 7 oktober 2013 voorbij is gegaan aan de conclusies van Van Eck. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het rapport van Van Eck volgt dat hij productiefuncties niet geschikt acht, vanwege de overprikkeling die daarbij bij appellant zal ontstaan.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige pleegt te volgen. Evenals de rechtbank is de Raad niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken.
4.2.
Volgens de deskundige Van Eck is appellant belastbaar conform de op 1 juni 2010 door de verzekeringsarts opgestelde FML. Evenwel acht Van Eck ook beperkingen aanwezig op de items 1.9.4. (geen afleiding door activiteiten van anderen), 1.9.8. (aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is) en 2.12.5 (aangewezen op werk dat geen leidinggevende aspecten bevat).
4.3.
De Raad is van oordeel dat de FML van 1 juni 2010 overeenkomstig de onder 4.2 genoemde bevindingen had moeten worden aangepast. Appellant wordt dan ook niet gevolgd in zijn standpunt dat hij niet mag worden blootgesteld aan geluids- en trillingsbelasting nu in het rapport van Van Eck geen aanknopingspunten te vinden zijn voor een dergelijke beperking. In het deskundigenrapport worden evenmin aanknopingspunten gezien die de stelling van appellant dat hij in het geheel niet geschikt zou zijn voor productiefuncties, ondersteunen.
4.4.
De Raad stelt vast dat de aangepaste FML van 7 oktober 2013 correspondeert met de bevindingen van Van Eck ten aanzien van de beperkingen van appellant op de items 1.9.4. en 2.12.5. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft echter in de FML van 7 oktober 2013 een nuancering aangebracht bij de beperking op item 1.9.8. (hoog handelingstempo) met de bij dit item gegeven toelichting “Niet in motorische zin, dus geen consequentie voor productiefuncties”. De Raad is van oordeel dat het Uwv niet overtuigend heeft gemotiveerd waarom met deze nuancering recht is gedaan aan de conclusie van Van Eck dat appellant is aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is als gevolg van een gebrek aan aandrift. Mede in het licht van de overweging van Van Eck over aandriftverlies en zijn verwijzing naar de toelichting bij item 1.9.8 van de FML in de ‘Basisinformatie CBBS’ betreffende depressie en aandriftverlies dient ervan uitgegaan te worden dat door appellant in werk geen hoog handelingstempo kan worden gerealiseerd.
4.5.
De medische geschiktheid van de voorgehouden functies van productiemedewerker (SBC-code 111174) en samensteller kunststof (SBC-code 271130) is afdoende gemotiveerd. Daarentegen wordt, onder verwijzing naar overweging 4.4, geoordeeld dat met de in beroep en in hoger beroep overgelegde rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet in voldoende mate is aangetoond dat in de functies van samensteller metaalwaren (SBC-code 264140) en inpakker (SBC-code 111190) de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, met inachtneming van de op grond van het rapport van Van Eck aanvaarde beperkingen voor werk waarin een hoog handelingstempo vereist is, niet wordt overschreden. Dit betekent dat het bij het bestreden besluit gehandhaafde standpunt dat appellant per 25 september 2009 niet in aanmerking wordt gebracht voor een Wet WIA-uitkering een toereikende motivering ontbeert.
4.6.
De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien omdat voor de bepaling van een eventueel recht op een WIA-uitkering gegevens nodig zijn waar de Raad niet over beschikt. Het Uwv zal daarom een nieuwe beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid en het daarmee eventueel samenhangende recht op een WIA-uitkering per 25 september 2009 dienen te verrichten. Het Uwv zal met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht worden opgedragen om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en E.W. Akkerman en
D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2015.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) B. Fotchind

NK