ECLI:NL:CRVB:2015:561
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bovenwettelijke uitkering bij ontvangst WIA-uitkering
Appellant, sinds 1985 ambtenaar bij de gemeente Weesp, kreeg in 2008 eervol ontslag met een financiële regeling die aanspraak op WW-uitkering en bovenwettelijke uitkering onder voorwaarden mogelijk maakte. Na toekenning van een WIA-uitkering in 2010 stelde het college dat appellant daardoor geen recht meer had op de bovenwettelijke uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij ondanks de WIA-uitkering recht zou moeten houden op de bovenwettelijke uitkering, onder meer op basis van eerdere uitspraken en toezeggingen van het college. De Raad oordeelde dat de ontslagregeling geen absolute garantie op bovenwettelijke uitkering bevat en dat de voorwaarden uit de CAR/UWO en de WW duidelijk maken dat bij ontvangst van een WIA-uitkering het recht op WW-uitkering en daarmee de bovenwettelijke uitkering vervalt.
De Raad verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat er geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan die een gerechtvaardigde verwachting konden wekken dat appellant ook bij WIA-uitkering recht zou houden op de bovenwettelijke uitkering. De eerdere toezeggingen betroffen slechts de duur en hoogte van de uitkering onder de bestaande voorwaarden. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Appellant heeft geen recht op bovenwettelijke uitkering zolang hij een WIA-uitkering ontvangt.