Appellant registreerde op 31 augustus 2011 een eenmanszaak en vroeg de volgende dag een WW-uitkering aan, waarbij hij verklaarde geen ander werk te verrichten. Het UWV bracht hem per 1 september 2011 in aanmerking voor een WW-uitkering gebaseerd op 36 uur arbeidsverlies per week. Na een onderzoek naar de werkelijk gewerkte uren als zelfstandige, stelde het UWV vast dat appellant onjuiste informatie had verstrekt en herzag de uitkering met terugvordering van €8.015,85 en oplegging van een boete van €810.
Appellant voerde aan dat hij onvoldoende was voorgelicht over zijn inlichtingenplicht, dat de terugvordering onterecht bruto werd berekend en dat de normbedragen voor aflossingscapaciteit niet reëel waren. De rechtbank oordeelde dat appellant redelijkerwijs had moeten weten dat het melden van alle uren, inclusief niet-productieve uren, noodzakelijk was en dat het UWV conform beleid handelde bij terugvordering en aflossingscapaciteit.
In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep de uitspraak van de rechtbank. De Raad benadrukt dat de inlichtingenplicht duidelijk was en dat het bezwaar en beroep geen schorsende werking hebben op de herziening en terugvordering. De Raad wijst de beroepsgronden af en bevestigt de boete en terugvordering, zonder proceskostenveroordeling.