ECLI:NL:CRVB:2012:BY3323
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Riphagen
- B.M. van Dun
- M. Greebe
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bruto terugvordering WW-uitkering na werkhervatting zonder bijzondere omstandigheden
Appellant ontving vanaf 20 juli 2009 een WW-uitkering. Hij gaf op 1 september 2009 telefonisch door dat hij per 7 september 2009 weer aan het werk zou gaan, maar het UWV stopte de uitkering pas in februari 2010. Hierdoor werd onverschuldigd een bedrag van €5.794,40 bruto uitgekeerd over de periode 7 september tot 27 december 2009.
Het UWV besloot dit bedrag bruto terug te vorderen, wat appellant betwistte met het argument dat hij niet tijdig netto kon terugbetalen en dat het UWV onzorgvuldig handelde door hem niet te wijzen op de bruto terugvordering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de bruto terugvordering.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat terugvordering bruto plaatsvindt als het fiscale jaar is afgesloten, tenzij de betrokkene binnen een redelijke termijn aangeeft het te veel betaalde niet te willen behouden en direct netto terugbetaalt. Dit was hier niet het geval. De Raad vond geen bijzondere omstandigheden die het UWV tot afwijking van het beleid zouden verplichten en wees het hoger beroep af.
De gevraagde schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 14 november 2012.
Uitkomst: De bruto terugvordering van de onverschuldigde WW-uitkering wordt bevestigd en het hoger beroep afgewezen.