ECLI:NL:CRVB:2015:705
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvragen en toekenning met aftrek schadevergoeding aan economisch niet-actieve EU-burger
Appellant, een Duitse staatsburger die in Nederland woonde, vroeg bijstand aan op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Twee aanvragen werden afgewezen vanwege onvoldoende verblijfsduur en het bestaan van voorliggende voorzieningen, waaronder een Duitse schadevergoeding en bijstand.
Bij een derde aanvraag werd bijstand toegekend met aftrek van de maandelijkse schadevergoeding van € 576,-. Het dagelijks bestuur stelde dat appellant geen recht had op bijstand omdat zijn verblijfsrecht was vervallen wegens onvoldoende bestaansmiddelen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat de Duitse bijstand als inkomen moet worden beschouwd en dat de schadevergoeding terecht in mindering is gebracht. Ook was geen sprake van een ondubbelzinnige toezegging voor een eerdere ingangsdatum van de bijstand.
De Raad concludeerde dat appellant geen recht had op bijstand over de eerste twee perioden en dat de toekenning met aftrek van de schadevergoeding terecht was. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.