ECLI:NL:CRVB:2015:740
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- A.M. Overbeeke
- G.M.G. Hink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder zorgbehoefte
Appellant 1 ontving bijstand op grond van de WWB en stond ingeschreven op hetzelfde adres als appellant 2. Na een onderzoek van het college en de Sociale Verzekeringsbank werd geconcludeerd dat appellanten een gezamenlijke huishouding voerden en dat appellant 2 beschikte over een vermogen boven de vrij te laten grens. Hierdoor werd de bijstand aan appellant 1 ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank vernietigde eerdere besluiten deels, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellanten stelden in hoger beroep dat er sprake was van een zorgbehoefte van appellant 2 en dat hun situatie gelijkgesteld moest worden met bloedverwanten in de tweede graad, waardoor zij niet als gehuwden konden worden aangemerkt. Ook voerden zij aan dat schulden van appellant 1 het vermogen zouden verminderen en dat de door appellant 1 verrichte re-integratiewerkzaamheden in mindering moesten worden gebracht op de terugvordering.
De Raad oordeelde dat appellanten weliswaar een gezamenlijke huishouding voerden met wederzijdse zorg, maar dat appellant 2 geen zorgbehoefte had in de relevante periode. Het vermogen van appellant 2 overschreed de vrij te laten grens en er was onvoldoende bewijs van schulden die dit zouden compenseren. Ook werd het betoog over de re-integratiewerkzaamheden verworpen omdat er geen loonovereenkomst of vordering was. De hoger beroepen werden ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder zorgbehoefte.