ECLI:NL:CRVB:2011:BR3329
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- N.M. van Waterschoot
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding zonder zorgbehoefte
Appellante ontving sinds 1987 bijstand en werd na onderzoek door het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Noord & Oost Groningen verdacht van het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar ex-echtgenoot zonder dit te melden. Het College van burgemeester en wethouders van Stadskanaal trok de bijstand in en vorderde terugbetaling over de periode van november 2005 tot augustus 2007.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond, omdat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van mantelzorg of zorgbehoefte. Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel zorgbehoefte had en dat er ongerechtvaardigd onderscheid werd gemaakt tussen bloedverwanten en anderen.
De Raad oordeelde dat appellante niet had aangetoond dat zij aanspraak kon maken op plaatsing in een AWBZ-instelling of dat zij vanwege ziekte blijvend niet in staat was een eigen huishouding te voeren. De door appellante overgelegde stukken toonden wel gezondheidsklachten, maar geen blijvende ongeschiktheid voor zelfstandig huishouden. De Raad bevestigde daarom het besluit tot intrekking van de bijstand en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder zorgbehoefte.