ECLI:NL:CRVB:2015:741

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 maart 2015
Publicatiedatum
12 maart 2015
Zaaknummer
13-4756 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13.2 NRGAArt. 13 WorArt. 18, vierde lid, Wor
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid werkgever tot uitsluiting van OR-werkzaamheden niet aan artikel 13.2 NRGA te ontlenen

Appellant, werkzaam bij de GGD Amsterdam en lid van de Ondernemingsraad (OR), werd op 12 april 2011 geschorst op grond van artikel 13.2, eerste lid, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) vanwege een integriteitsonderzoek. Het college legde hem een verbod op om zijn OR-werkzaamheden uit te voeren gedurende de schorsing. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college werd afgewezen en door de rechtbank Amsterdam werd bevestigd.

In hoger beroep betwist appellant niet de schorsing zelf, maar uitsluitend de restrictie die hem uitsloot van zijn OR-werkzaamheden. Het college stelde dat artikel 13.2 NRGA deze bevoegdheid tot uitsluiting aan hen gaf. De Raad oordeelde echter dat deze bepaling alleen betrekking heeft op de reguliere functie van de ambtenaar en niet op het OR-lidmaatschap, dat een aparte positie inneemt.

De Raad verwees naar artikel 13 van Pro de Wet op de ondernemingsraden (Wor), waarin is bepaald dat alleen de kantonrechter bevoegd is om een OR-lid uit te sluiten van OR-werkzaamheden, en wel alleen indien deze het overleg ernstig verstoort. De werkgever heeft deze bevoegdheid niet zelfstandig. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en herroept het schorsingsbesluit voor zover het de uitsluiting van OR-werkzaamheden betreft.

De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van de kosten van appellant en het betaalde griffierecht. De uitspraak bevestigt de scheiding tussen reguliere ambtelijke functie en OR-lidmaatschap en benadrukt de exclusieve rol van de kantonrechter bij uitsluiting van OR-werkzaamheden.

Uitkomst: Het besluit tot uitsluiting van OR-werkzaamheden wordt vernietigd en alleen de kantonrechter is bevoegd tot dergelijke uitsluiting.

Uitspraak

13/4756 AW
Datum uitspraak: 12 maart 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
16 juli 2013, 12/1937 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A. Lange hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Lange, Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. P.A. de Jong en P. Lagerweij.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam bij de GGD Amsterdam. Bij besluit van 12 april 2011 is hij op grond van artikel 13.2, eerste lid, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) met onmiddellijke ingang geschorst, dit voor de duur van een onderzoek door het Bureau Integriteit naar zijn mogelijke betrokkenheid bij politieke beïnvloeding van een raadslid, waarbij het vermoeden is ontstaan dat misbruik is gemaakt van dienstmiddelen en er sprake kan zijn geweest van belangenverstrengeling. Appellant was ten tijde van het nemen van dit besluit lid van de Ondernemingsraad (OR). Het besluit bevat daaromtrent de volgende passage: “Vanwege de verwevenheid van de OR-werkzaamheden en de gedragingen die u worden verweten ben ik bovendien van oordeel dat u uw OR-werkzaamheden gedurende de schorsing niet kan uitvoeren.” Verder is in het besluit vermeld dat appellant gedurende het onderzoek alleen contact mag opnemen met zijn clusterhoofd. Dit betekent dat hij geen contact mag onderhouden met collega’s van de GGD en met externe werkcontacten. Appellant heeft tegen het besluit van
12 april 2011 bezwaar gemaakt.
1.2.
Bij besluit van 18 oktober 2011 is appellant de straf van een schriftelijke berisping opgelegd. De schorsing van appellant is opgeheven. Appellant heeft tegen de hem opgelegde straf geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3.
Bij besluit van 9 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het schorsingsbesluit van 12 april 2011 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Appellant bestrijdt niet juistheid van de schorsing als zodanig, maar betwist uitsluitend de hem opgelegde restrictie met betrekking tot zijn OR-lidmaatschap. Ambtshalve wordt overwogen dat met die betwisting procesbelang is gemoeid, nu appellant, omdat zijn dienstverband slechts een gering aantal uren behelsde, vacatiegelden voor zijn
OR-werkzaamheden ontving.
3.2.
Namens het college is toegelicht dat met de restrictie is beoogd om appellant uitdrukkelijk uit te sluiten van zijn OR-werkzaamheden. Gelet op de aard van het aan appellant verweten plichtsverzuim, dat op zichzelf overigens los staat van zijn
OR-lidmaatschap, achtte het college het onwenselijk dat appellant gedurende de schorsing zijn taken voor de OR zou blijven uitvoeren. Het college huldigt het standpunt dat de bevoegdheid om appellant uit te sluiten van zijn OR-werkzaamheden valt te ontlenen aan het aan de schorsing ten grondslag gelegde artikel 13.2, eerste lid, van de NRGA.
3.3.
Artikel 13.2, eerste lid, van de NRGA bepaalt dat de ambtenaar kan worden geschorst met behoud van bezoldiging zolang nog geen oordeel is gevormd over de schorsing op grond van artikel 13.3, en het dienstbelang in overwegende mate eist dat hij zijn functie niet vervult. De Raad volgt het college niet in zijn standpunt dat deze bepaling aldus moet worden gelezen dat daaraan mede een bevoegdheid tot uitsluiting van OR-werkzaamheden valt te ontlenen. Het gekozen OR-lidmaatschap en de daaruit voortvloeiende werkzaamheden moeten worden onderscheiden van de reguliere functie-vervulling van de ambtenaar. Gelet op artikel 13 van Pro de Wet op de ondernemingsraden (Wor) is het voorbehouden aan de kantonrechter om een lid van de OR, op verzoek van de ondernemer of van de OR zelf, uit te sluiten van bepaalde of van alle OR-werkzaamheden, hetgeen overigens alleen mogelijk is op de grond dat de betrokkene het overleg tussen OR en ondernemer, respectievelijk de werkzaamheden van de OR ernstig verstoort. De werkgever komt geen bevoegdheid tot het zelf uitsluiten van een werknemer van diens OR-werkzaamheden toe.
3.4.
Het overwogene onder 3.3 laat onverlet de bevoegdheden die de werkgever heeft ten aanzien van de functievervulling door de ambtenaar. In dit geval is in het schorsingsbesluit een verbod opgenomen contacten te onderhouden met collega’s van de GGD en met externen, behoudens het clusterhoofd van appellant. Appellant was als gevolg van dit verbod, dat hij op zichzelf beschouwd niet heeft aangevochten, feitelijk verhinderd zijn werkzaamheden als OR-lid uit te voeren. Indien de ambtenaar, zoals in dit geval, besluitvorming als hier genoemd op zichzelf beschouwd niet wenst te betwisten, maar enkel wil worden hersteld in de mogelijkheid zijn OR-werkzaamheden uit te voeren, dan is niet de gang naar de bestuursrechter de aangewezen weg, maar het indienen van een verzoek bij de kantonrechter als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Wor.
3.5.
Het overwogene onder 3.3 betekent dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen. Het bestreden besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. Gelet op het overwogene onder 3.4 zal de Raad er met betrekking tot het primaire schorsingsbesluit mee volstaan dit te herroepen voor zover dit het uitsluiten van
OR-werkzaamheden behelst.
4. Het voorgaande geeft aanleiding het college te veroordelen in de kosten van appellant, in bezwaar tot een bedrag van € 490,-, in beroep tot een bedrag van € 490,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 980,-, alles voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 9 maart 2012;
- herroept het schorsingsbesluit van 12 april 2011 voor zover dit het uitsluiten van
OR-werkzaamheden behelst en bepaalt dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van
het vernietigde bestreden besluit;
- veroordeelt het college in de kosten van appellant, tot een bedrag van in totaal € 1.960,-;
- bepaalt dat het college appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde
griffierecht ten bedrage van in totaal € 395,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en J.J.A. Kooijman en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2015.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) B. Rikhof

HD