Uitspraak
OVERWEGINGEN
BESLISSING
het vernietigde bestreden besluit;
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam bij de GGD Amsterdam en lid van de Ondernemingsraad (OR), werd op 12 april 2011 geschorst op grond van artikel 13.2, eerste lid, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) vanwege een integriteitsonderzoek. Het college legde hem een verbod op om zijn OR-werkzaamheden uit te voeren gedurende de schorsing. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college werd afgewezen en door de rechtbank Amsterdam werd bevestigd.
In hoger beroep betwist appellant niet de schorsing zelf, maar uitsluitend de restrictie die hem uitsloot van zijn OR-werkzaamheden. Het college stelde dat artikel 13.2 NRGA deze bevoegdheid tot uitsluiting aan hen gaf. De Raad oordeelde echter dat deze bepaling alleen betrekking heeft op de reguliere functie van de ambtenaar en niet op het OR-lidmaatschap, dat een aparte positie inneemt.
De Raad verwees naar artikel 13 van Pro de Wet op de ondernemingsraden (Wor), waarin is bepaald dat alleen de kantonrechter bevoegd is om een OR-lid uit te sluiten van OR-werkzaamheden, en wel alleen indien deze het overleg ernstig verstoort. De werkgever heeft deze bevoegdheid niet zelfstandig. De Raad vernietigde daarom het bestreden besluit en herroept het schorsingsbesluit voor zover het de uitsluiting van OR-werkzaamheden betreft.
De Raad veroordeelde het college tot vergoeding van de kosten van appellant en het betaalde griffierecht. De uitspraak bevestigt de scheiding tussen reguliere ambtelijke functie en OR-lidmaatschap en benadrukt de exclusieve rol van de kantonrechter bij uitsluiting van OR-werkzaamheden.
Uitkomst: Het besluit tot uitsluiting van OR-werkzaamheden wordt vernietigd en alleen de kantonrechter is bevoegd tot dergelijke uitsluiting.