Conclusie
1.De feiten
7. Nabespreking overlegvergadering met Directie
7d. Betrokkenheid
en vraagt hem zich bewust te zijn van zijn ongenuanceerde uitlatingen en bewoordingen.”
3. Notulen jaarlijks overleg met RvC d.d. 5 oktober 2015
2. Notulen Ondernemingsraadsvergadering d.d. 23 november 2015
is van mening dat het woord ongenuanceerd geen correcte weergave is van de werkelijkheid. De andere OR leden delen zijn mening niet en spreken hem nogmaals aan op zijn gedrag.”
6. Spelregels tijdens de vergadering
door de voorzitter en zijn collega OR-leden aangesproken op zijn onacceptabele gedrag tijdens de heisessie op 20 mei 2016. Allen vragen hem vriendelijk doch dringend zich te houden aan de geldende spelregels.”
"toch goed dat er zwarten zijn om ons te helpen", of woorden van die strekking. Hierop is de directie weggelopen. Binnen OR-kring is [verweerder] aangesproken op deze opmerking, die volgens [verweerder] echter niet discriminerend was bedoeld. Daarna heeft alsnog de overlegvergadering plaatsgevonden met de directie.
Op donderdag 1 december 2016 hebben ondergetekende en [betrokkene 5] een gesprek gevoerd met OR lid [verweerder] . Het incident tijdens de OR vergadering van 28 november j.l. waarin [verweerder] een collega discrimenerd heeft bejegend, is voor de directie aanleiding geweest hem uit te nodigen voor een gesprek.
Hallo, hierbij een kaartje voor de ontspanning. Maxima zou kunnen zeggen: "een beetje dom". Goeie dagen gewenst, [verweerder].”
Vandaag hebben wij [verweerder] laten weten dat ook het DB van de OR niet meer in het bijzijn van hem wil vergaderen. Daarbij hebben we verwezen naar het incident van maandag en zijn herhaaldelijk insinuerende opmerkingen naar de directie. Tevens hebben we de vertrouwensbreuk tussen hem en de directie daarbij genoemd. Wat het DB betreft blijven de geplande vergaderingen ongewijzigd in de agenda staan. Indien [verweerder] zich de eerstvolgende vergadering zal melden dan vergadert het DB zonder overige OR leden met de directie.”
Vanmorgen had ik telefonisch contact met [betrokkene 3][ [betrokkene 3] , A-G]
. Ik vroeg hem naar de stand van zaken. [betrokkene 3] zei dat mijn aanwezigheid ongewenst is bij de OR-vergaderingen. Dit was ook de mening van de directie. Die had mij meegedeeld dat zij hierover een brief zouden sturen naar ons db-OR. Dit beschouw ik als een onrechtmatige beïnvloeding van de samenstelling van onze OR. Vandaag doe ik een brief op de post met een machtiging voor de juridische dienst van FNV.
hiernaar gevraagd die uiteraard ontkende. Nu was er bij het onderzoek ruimte voor eigen reacties. Het is een paar keer voorgekomen dat deze informatie heel makkelijk voor de directie was te herleiden. Dit lijkt mij een flagrante schending van anonimiteit die zou worden gewaarborgd. (...)
Het lijkt me voor de toekomst beter en zuiverder dat eventuele mails of andersoortige boodschappen voor de leden van de Raad van Commissarissen rechtstreeks verzonden worden aan het bestuurssecretariaat van AB Vakwerk en niet meer op mijn privémail.
Op 1 december jl. heeft u me gevraagd voor een gesprek. Aanleiding hiertoe was mijn opmerking tijdens de OR vergadering van 28 november die niet in goede aarde is gevallen en als discriminerend werd ervaren door enkele aanwezigen. Dit betreur ik. U zei me dat er van u als leidinggevende hierop actie wordt verwacht en dat u er last van heeft gehad. De opmerking waar het om ging was niet bedoeld als kwetsend, maar juist als compliment omdat de persoon waar het om ging een technisch probleem met de beamer heel snel had verholpen. De persoon voor wie mijn opmerking was bedoeld nam hier gelukkig geen aanstoot van. Desalniettemin begrijp ik dat de wijze waarop ik mijn compliment heb gegeven wordt ervaren als ongepast. Achtergrond van de opmerking was de spelende maatschappelijke discussie. Ik ben het helemaal eens dat discriminatie niet hoort, maar dat was dus niet bedoeling. Hierbij wil ik aanbieden om met de persoon in kwestie in gesprek te gaan om mijn excuses aan te bieden. Tevens wil ik mijn excuses persoonlijk aan de directie aanbieden.
Hoewel wij uw excuses op prijs stellen, miskent u met uw opmerkingen de kern van onze brief van 1 december jl. In die brief spreken wij u niet aan als werknemer met een vakbondsachtergrond maar als lid van de OR, een vennootschapsorgaan dat een wettelijk omschreven rol heeft bij de totstandkoming van bepaalde ondernemingsbesluiten. De taken van de OR zijn duidelijk in de Wet omschreven. U hebt samen met de overige leden van de OR een externe training gevolgd over de taken van de OR. U weet dan ook dat de OR als geheel functioneert en ook op collectief niveau invulling moet geven aan de taken die de WOR haar toeschrijft.
Hierbij mijn verhaal betreft de samenwerking met [verweerder] . (...)
niet vertrouwde. Ik schrok daarvan en zei dat hij dit echt niet kon maken. [betrokkene 8] pakte dit zelf netjes op en gaf aan dat we zo niet met elkaar om gaan binnen AB maar [verweerder] bleef bij zijn standpunt. Ik heb hier wel melding van gemaakt bij de directie omdat ik dit zo schokkend vond maar vooral heel slecht voor onze samenwerking met de directie. (...) In de volgende vergaderingen bleef [verweerder] slecht communiceren.”
Gisteravond hebben wij personeelsvergadering gehad voor de agri expert Pool regio Friesland. Een prima avond met een klein smetje. Plotseling ging [verweerder][ [verweerder] , A-G]
even staan om een vraag te stellen en zie het volgende (had niets te maken waar we het op dat moment over hadden). [betrokkene 9] , ik heb via een medewerker te horen gekregen dat het medewerkers tevredenheidsonderzoek niet anoniem blijkt te zijn. Ik heb dit aan de orde gebracht met gevolg dat ik nu in een rechtszaak ben beland. Dit kost mij duizenden euro ’s en wil dit toch even kwijt. Zo van zeg niet teveel want dit is het gevolg.
Mijn bijdrage bij de personeelsvergadering was voor mij een ultieme poging om AB Vakwerk en mijn collega’s ervan te overtuigen dat een gang naar de rechtbank de naam van AB geen goed doet. Een melding van een collega over vermeende schending van identiteit bij het Werktevredenheidsonderzoek (WTO) is een reden voor die gang terwijl onafhankelijk onderzoek is uitgebleven waarop ik had aangedrongen.”
Personeelsbespreking
2.Het procesverloop
3.Het cassatiemiddel
1. Op verzoek van de ondernemer of van de ondernemingsraad kan de kantonrechter voor een door hem te bepalen termijn een lid van de ondernemingsraad uitsluiten van alle of bepaalde werkzaamheden van de ondernemingsraad. Het verzoek kan uitsluitend worden gedaan, door de ondernemer op grond van het feit dat het betrokken ondernemingsraadlid het overleg van de ondernemingsraad met de ondernemer ernstig belemmert, en door de ondernemingsraad op grond van het feit dat de betrokkene de werkzaamheden van de ondernemingsraad ernstig belemmert.
(ii) De rechtsklacht vanonderdeel 1– en datzelfde geldt dus voor de daarop voortbouwende rechtsklachten van deonderdelen 2 en 3– stelt de principiële vraag aan de orde hoe een uitsluitingsverzoek op grond van art. 13 WOR Pro door de rechter beoordeeld moet worden. Het Hof is er in zijn ten deze bestreden beschikking van uitgegaan dat zowel voor een uitsluitingsverzoek van de ondernemer, als voor een uitsluitingsverzoek afkomstig van de ondernemingsraad zelf, geldt dat zulk een verzoek in beginsel slechts toewijsbaar is wanneer het lid van de ondernemingsraad waarop het uitsluitingsverzoek betrekking heeft, eerst verschillende keren is gewaarschuwd en hem ook een ondubbelzinnige laatste waarschuwing is gegeven. Het cassatiemiddel strekt ten betoge dat die vuistregel, die het Hof niet alleen voorop heeft gesteld, maar waarop hij vervolgens ook de afwijzing van de verzoeken van AB Vakwerk en de GOR daadwerkelijk heeft gebaseerd, rechtens onjuist is. (…).”
5.4 Bij voormeld uitgangspunt past dat de sanctie van uitsluiting alleen mag worden toegepast indien dit onontkoombaar is, dus als ultimum remedium, en dat de proportionaliteit in acht genomen wordt bij bepaling van de duur en, in het geval van een OR-verzoek, ook bij de omvang van de sanctie.
AB Vakwerkmoet worden afgewezen. Daartoe wordt aangevoerd dat uit de rov. 5.6 tot en met 5.11 van de bestreden beschikking blijkt dat die beslissing, in belangrijke, zo niet overwegende mate, gebaseerd is op de door het hof in rov. 5.4 vooropgestelde vuistregel, die door de rechtsklacht van onderdeel 1 wordt bestreden. Volgens het onderdeel laten deze rechtsoverwegingen zich namelijk slechts aldus verstaan dat het verzoek van AB Vakwerk niet is afgewezen omdat het hof meende dat de verwijten die AB Vakwerk [verweerder] van zijn handelwijze maakt, materiaal ongegrond waren, maar veeleer vanwege het feit dat AB Vakwerk hem niet voldoende heeft gewaarschuwd en hem ook geen uitdrukkelijke laatste waarschuwing heeft gegeven. Daarmee getuigt de beslissing van het hof in rov. 5.6 tot en met 5.11 van dezelfde onjuiste rechtsopvatting als de beslissing in de tweede alinea van rov. 5.4 die door de rechtsklacht in onderdeel 1 wordt bestreden.
de ORmoet worden afgewezen. Daartoe wordt aangevoerd dat uit de rov. 5.12 tot en met 5.16 van de bestreden beschikking blijkt dat die beslissing, in belangrijke, zo niet overwegende mate, gebaseerd is op de door het hof in rov. 5.4 vooropgestelde vuistregel, die door de rechtsklacht van onderdeel 1 wordt bestreden. Volgens het onderdeel laten deze rechtsoverwegingen zich namelijk slechts aldus verstaan dat het verzoek van de OR in hoofdzaak, althans in elk geval: in belangrijke mate, is afgewezen omdat – hoewel uit de notulen van de OR volgt dat [verweerder] “
meer dan eens” is aangesproken op ongepaste uitlatingen (zie rov. 5.14, tweede volzin) – (i) een “
allerlaatste waarschuwing voordat door de OR een beroep gedaan zou worden op artikel 13 WOR Pro in de processtukken niet is te vinden” (rov. 5.14, derde alinea, eerste volzin), terwijl (ii) een “
ondubbelzinnig signaal” dat de grens is bereikt, door het hof “
geboden” wordt geacht voordat het ultimum remedium wordt ingezet. Daarmee getuigen de rov. 5.12 tot en met 5.16 op de gronden als uiteengezet in onderdeel 1 van een onjuiste rechtsopvatting.
4.Het oordeel van het hof
5.2 De toets voor het uitsluitingsverzoek van de ondernemer is, of [verweerder] het overleg van de OR met de ondernemer ernstig belemmert. De aan te leggen toets voor het uitsluitingsverzoek van de OR is of [verweerder] de werkzaamheden van de OR ernstig belemmert.
ernstig heeft belemmerd. Het incident had als zodanig geen betrekking op belemmering van het overleg met de OR. Daarmee was het incident niet van dien aard dat het rechtvaardigde dat AB Vakwerk, zonder nog een laatste waarschuwing, de samenwerking met [verweerder] als lid van de OR definitief in het slot gooide.
heeft belemmerd.
niet – en ook niet in beginsel –”) is vereist dat het betreffende ondernemingsraadlid eerst verschillende waarschuwingen, een ondubbelzinnige laatste waarschuwing daaronder begrepen, heeft gekregen van de ondernemer (als het gaat om een uitsluitingsverzoek van diens zijde), respectievelijk van de ondernemingsraad (als het gaat om een uitsluitingsverzoek van diens zijde).
verzoeker”) de noodzaak van de verzochte uitsluiting dient te onderbouwen met concrete feiten en omstandigheden waaruit het in rov. 5.2 bedoelde wangedrag blijkt “
en in beginse[l] ook met eerdere waarschuwingen om dat gedrag na te laten, waaronder een ondubbelzinnige laatste waarschuwing”. Het is denkbaar dat het hof daarmee, gelet ook op de plaatsing van rov. 5.4, tweede alinea in de inleidende overwegingen in rov. 5.1-5.4 en de formulering van die inleidende overwegingen, wat betreft het geciteerde deel doelt op een algemeen geldende invulling van art. 13 WOR Pro. En wel aldus dat
steeds(altijd, in alle gevallen) geldt dat voor het kunnen aannemen van een ernstige belemmering als bedoeld in art. 13 lid 1 WOR Pro, naast het in rov. 5.2 bedoelde wangedrag van het betreffende ondernemingsraadlid, ook zulk eerder ‘waarschuwen’ van het betreffende lid is vereist, behoudens feiten en omstandigheden die maken dat ondanks het ontbreken van dit laatste (zulk eerder ‘waarschuwen’) zo’n ernstige belemmering toch aangenomen kan worden. Ik versta het cassatiemiddel zo, gelet op onderdelen 1-3 (en de uitvoerige toelichting daarop), dat de klachten uitgaan van een dergelijke algemeen geldende invulling van art. 13 WOR Pro, vooropgesteld door het hof in rov. 5.4, tweede alinea en vervolgens toegepast door het hof in rov. 5.5-5.11 (wat betreft het art. 13 lid 1 WOR Pro-verzoek van AB Vakwerk) en rov. 5.12-5.16 (wat betreft het art. 13 lid 1 WOR Pro-verzoek van de OR). Dit is ook de uitleg van [verweerder] . [21]
[o]ok” bij het art. 13 lid 1 WOR Pro-verzoek van de OR geldt dat “
een allerlaatste waarschuwing” voordat door de OR een beroep gedaan zou worden op art. 13 WOR Pro in de processtukken niet is te vinden. Het hof verwijst daarbij onmiskenbaar terug naar de behandeling van het art. 13 lid 1 WOR Pro-verzoek van AB Vakwerk, in welk verband het hof al, bij herhaling (en in wisselende bewoordingen), [23] expliciet vaststelt dat zo’n ‘laatste waarschuwing’ door AB Vakwerk niet is gegeven aan [verweerder] voordat een beroep op art. 13 WOR Pro zou worden gedaan.
[v]oor een dergelijk duidelijk signaal in dit geval reden [zou] zijn geweest”, en wel omdat “
uit de gestelde feiten en omstandigheden niet is af te leiden dat [verweerder] de vergaderorde bewust frustreert. Hij lijkt te zeggen wat hem voor de mond komt zonder rekening te houden met het moment (zoals het hof ook bij aanvang van de mondelinge behandeling bemerkte) of met de gevoelens van degenen tot wie hij zich richt. Bij [verweerder] lijkt hierbij echter eerder sprake van onvermogen dan van onwil.” [24]
[e]en ondubbelzinnig signaal dat de grens is bereikt” dan wel geboden acht “
voordat het ultimum remedium wordt ingezet”, waarmee het hof klaarblijkelijk terugverwijst naar rov. 5.4, eerste alinea waarin het uitsluiting duidt als een “
ultimum remedium”.
in dit geval” geldt dat voor het kunnen aannemen van een ernstige belemmering als bedoeld in art. 13 lid 1 WOR Pro (naast het in rov. 5.2 bedoelde wangedrag van [verweerder] ) ook een aan [verweerder] gegeven “
allerlaatste waarschuwing” is vereist, behoudens feiten en omstandigheden die maken dat ondanks het ontbreken daarvan zo’n ernstige belemmering in dit geval toch aangenomen kan worden. Aldus heeft het hof hoe dan ook zijn oordeel, zelfstandig dragend, gebaseerd op een
door dit specifieke geval ingegeven, dus incidenteel geldende invulling van art. 13 WOR Pro. [26]
in dit geval” reden ziet voor het bij wege van uitgangspunt vereisen van “
een dergelijk duidelijk signaal” (een ‘laatste waarschuwing’) aan [verweerder] , als wat betreft het beroep van AB Vakwerk op art. 13 WOR Pro.
in dit geval” waarop het hof daar zo uitdrukkelijk wijst en leunt. Hetgeen het hof daar overweegt sluit tevens uit, mede gelet op het voorgaande, dat het alleen bij het beroep van de OR op art. 13 WOR Pro in rov. 5.12-5.16 is uitgegaan van een door dit specifieke geval ingegeven ‘in beginsel-vereiste’ wat betreft dat duidelijke signaal en bij het beroep van AB Vakwerk op art. 13 WOR Pro in rov. 5.5-5.11 louter is uitgegaan van zo’n algemeen geldende invulling van art. 13 WOR Pro, losgezongen van die feiten en omstandigheden “
in dit geval”. Daarmee strookt dat het hof in rov. 5.5-5.11 bij herhaling (en in wisselende bewoordingen) alleen verwijst naar het ontbreken van een ‘laatste waarschuwing’, zonder melding te maken van een of meer eerder gegeven waarschuwingen. Dat laat zich begrijpen in het licht van rov. 5.14, eerste alinea, waar het hof immers vaststelt “
dat [verweerder] meer dan eens door andere leden van de OR is aangesproken op ongepaste uitlatingen”. [27] In dit geval waren eerdere waarschuwingen dus al een feitelijk gegeven en draaide het om een in beginsel-vereiste van een ‘laatste waarschuwing’ aan [verweerder] voordat een beroep op art. 13 WOR Pro zou worden gedaan. Dit onderstreept de brede reikwijdte van hetgeen het hof overweegt in rov. 5.14 en de verwevenheid van de behandeling door het hof van de beide art. 13 lid 1 WOR Pro-verzoeken (dus van AB Vakwerk én van de OR), wat ook past bij de vooropstelling in rov. 5.5 dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep AB Vakwerk en de OR “
hun argumenten voor uitsluiting niet duidelijk per verzoeker [hebben] onderscheiden”.
wat onder 5.6 is overwogen over het herhaaldelijk ter sprake brengen van ongeagendeerde onderwerpen en onder 5.7 over de negatieve opmerkingen in de richting van de ondernemer”, waaraan het hof toevoegt dat “
[d]ergelijke kwesties in de weg [staan] aan een goed verloop van een bijeenkomst in het algemeen en een overlegvergadering in het bijzonder”. Daarmee strookt verder dat de verwijzing in rov. 5.14, vierde alinea naar [verweerder] kennelijke niet-begrijpen dat OR-leden zich beledigd voelen door zijn opmerking “
dat zij bij de directie op schoot zitten”, eenzelfde strekking heeft als de verwijzing in rov. 5.7 naar de eis “
dat de aanwezigen bij overlegvergaderingen fatsoenlijk en dus met respect met elkaar omgaan, ongeacht zakelijke verschillen van inzicht. Ook als ermee rekening wordt gehouden dat werknemers die met de voeten in de klei staan misschien minder gepolijst praten dan hooggeschoolden, hoeft de ondernemer niet te accepteren dat hij bij bijeenkomsten met de OR voor graaier wordt uitgemaakt”. Dit alles raakt, op de keper beschouwd, aan hetzelfde knelpunt waarop zowel AB Vakwerk als de OR bij [verweerder] als OR-lid is gestuit, in de aanloop naar de door AB Vakwerk en de OR gezamenlijk ingediende art. 13 lid 1 WOR Pro-verzoeken.
nog niet voldoende grond [had] voor het verwijt dat [verweerder] het overlegernstig
heeft belemmerd” (rov. 5.11, eerste alinea) respectievelijk dat “
[o]ok” ten aanzien van de OR de conclusie is “
dat het nog (iets) te vroeg was om te kunnen vaststellen dat [verweerder] de werkzaamheden van de OR ernstig heeft belemmerd” en daarom uitgesloten moest worden van alle of bepaalde werkzaamheden van de OR gedurende de resterende zittingsperiode (rov. 5.16, eerste alinea). [28]
5.Het juridisch kader
Samenstelling en werkwijze van de ondernemingsraden”. Gemakshalve citeer ik art. 13 WOR Pro nogmaals:
1. Op verzoek van de ondernemer of van de ondernemingsraad kan de kantonrechter voor een door hem te bepalen termijn een lid van de ondernemingsraad uitsluiten van alle of bepaalde werkzaamheden van de ondernemingsraad. Het verzoek kan uitsluitend worden gedaan, door de ondernemer op grond van het feit dat het betrokken ondernemingsraadlid het overleg van de ondernemingsraad met de ondernemer ernstig belemmert, en door de ondernemingsraad op grond van het feit dat de betrokkene de werkzaamheden van de ondernemingsraad ernstig belemmert.
uitsluitend” en “
ernstig belemmert” in art. 13 lid 1 WOR Pro indiceren reeds dat voor toepassing van de daarin vervatte maatregel van uitsluiting een ‘hoge drempel’ geldt, ongeacht of het een art. 13 lid 1 WOR Pro-verzoek van de ondernemer of van de ondernemingsraad betreft. De wettekst biedt geen aanknopingspunten voor de beantwoording van de vraag wat hier onder “
ernstig belemmert” moet worden verstaan.
Artikel 14
gekozen leden” laten zich verklaren door de toenmalige samenstelling van de ondernemingsraad. De ondernemingsraad bestond niet alleen uit leden die door de kiesgerechtigde werknemers van de onderneming waren gekozen, maar ook uit het hoofd of de bestuurder van de onderneming, dan wel één van de hoofden of de bestuurders. [55] Het hoofd of de bestuurder van de onderneming was niet alleen lid, maar tevens voorzitter van de ondernemingsraad en kon zich als zodanig telkens door een door hem aan te wijzen persoon doen vervangen. [56]
De ondernemingsraad heeft tot taak, zulks onder erkenning van de zelfstandige functie van de ondernemer, naar vermogen bij te dragen tot een zo goed mogelijk functionneren(sic)
der onderneming.”
gezamenlijkoverleg tussen de ondernemer en zijn personeel. De ondernemingsraad had nadrukkelijk niet tot taak het vertegenwoordigen van het personeel tegenover de ondernemer: [58]
§3. Grondslag van het onderhavige ontwerp van wet is de overtuiging, dat een orgaan van samenwerking in de onderneming slechts aan zijn doel kan beantwoorden, indien deze samenwerking zich afspeelt tussen de ondernemer en zijn personeel. Vandaar dat het ontwerp spreekt van ondernemingsraden en niet van kernen, fabriekscommissies of dergelijke, om daarmede aan te geven, dat hier geen sprake is van een vertegenwoordiging van het personeel tegenover de ondernemer, doch integendeel van een orgaan van gezamenlijk overleg – met het accent op gezamenlijk –, waarvan het hoofd van de onderneming samen met zijn personeel deel uitmaakt (…).”
De opvatting, dat de ondernemingsraden niets van waarde zouden kunnen doen, en slechts een verlengstuk van de ondernemer zullen worden, kunnen de ondergetekenden niet delen. Het betreft hier organen van overleg en samenwerking tussen werkgever en arbeiders, zodat het logisch is, dat de werkgever krachtens zijn functie als hoofd der onderneming het voorzitterschap bekleedt. Dat dit veelal anders is bij de bestaande kernen en personeelscommissies spruit voort uit het feit, dat de opzet van deze laatste organen in zoverre een andere is, dat zij een vertegenwoordiging van het personeel vormen, die tot taak heeft de belangen van dat personeel tegenover de werkgever te behartigen. Bij de voorgestelde ondernemingsraden gaat het echter veeleer om samenwerking en overleg met de ondernemer die dan ook in de raad zitting behoort te hebben.”
die onder meer tot taak heeft toezicht te houden op de ondernemingsraden”, in de eerste plaats in aanmerking komt om te beslissen over schorsing en ontslag.
Enkele leden meenden, dat het spreken van het toekennen van medezeggenschap aan de werknemers in verband met dit wetsontwerp in zoverre misleidend is, dat de beslissende zeggenschap niet bij den arbeider, maar bij den ondernemer berust. De zelfstandige functie van den ondernemer wordt uitdrukkelijk erkend en anderzijds wordt uitdrukkelijk vastgesteld, dat de ondernemingsraad slechts adviserende bevoegdheid heeft. Indien het gedrag van de arbeidersvertegenwoordigers den ondernemer niet welgevallig is, heeft hij de bevoegdheid, één of meer van de candidaten door anderen te laten vervangen en reeds gekozen leden van den ondernemingsraad voor schorsing voor te dragen aan de zgn. bedrijfscommissie, op welker samenstelling de arbeiders geen invloed kunnen uitoefenen. Deze bedrijfscommissie toch bestaat, aldus deze leden, uit ten minste zes leden, van wie de helft wordt aangewezen door geschikt geachte organisaties van arbeiders en de andere helft door werkgeversorganisaties. Deze beslissende kenmerken waren voor de leden, hier aan het woord, voldoende om dit wetsontwerp te kenschetsen als een poging, de arbeidersklasse zeggenschap te suggereren en in werkelijkheid de bestaande bevoorrechte positie van ondernemers en kapitaalverschaffers niet alleen te handhaven, maar deze door „schijnconcessies" zelfs te versterken.”
De opmerking van deze leden over de uitsluiting van de verkiezingsbevoegdheid van bepaalde groepen arbeiders heeft blijkbaar betrekking op de bepalingen betreffende de candidaatstelling in artikel 11 van Pro het ontwerp. De ondergetekenden mogen naar aanleiding daarvan er op wijzen, dat deze bepalingen er toe strekken, dat, zoals hierboven werd uiteengezet, de ondernemingsraden in de eerste plaats zullen moeten worden gedragen door de tot medewerking bereid zijnde vakorganisaties. Enige strijd met het publiekrechtelijk karakter van de regeling kunnen zij hierin niet zien.
met opgave van redenen”. In de parlementaire geschiedenis is niet toegelicht op grond van welke redenen een voordracht tot schorsing of ontslag kon worden gedaan. Evenmin valt daaruit af te leiden aan de hand van welke maatstaf de bedrijfscommissie de voordracht diende te beoordelen.
Artikel 13
De ondernemer, alsmede de ondernemingsraad kunnen een gekozen lid van die raad bij de bedrijfscommissie met opgave van redenen voor ontslag als lid van de ondernemingsraad voordragen. De ondernemingsraad regelt in zijn reglement de bij een voordracht tot ontslag te volgen rechtsgang. De betrokkene dient in de gelegenheid te worden gesteld over de voordracht te worden gehoord.
De bedrijfscommissie beslist na de voor ontslag voorgedragene in de gelegenheid te hebben gesteld te worden gehoord.
Hangende de beslissing is de betrokkene in de uitoefening van zijn functie als lid van de ondernemingsraad geschorst.”
ontslag” en niet meer ook van “
schorsing”. Verder bepaalt art. 13 lid 1 WOR Pro 1971 dat de ondernemer en/of de ondernemingsraad het betreffende ondernemingsraadlid over de voordracht moet(en) horen. Tot slot is in een nieuw art. 13 lid 3 WOR Pro 1971 opgenomen dat het betreffende lid hangende de beslissing van de bedrijfscommissie in de uitoefening van zijn functie als lid van de ondernemingsraad is geschorst.
gekozen lid” voor ontslag kon worden voorgedragen. [71] Wel is onder de WOR 1971 in vergaande mate gerelativeerd de aan de WOR 1950 ten grondslag liggende opvatting dat het overleg met de ondernemer enerzijds en de behartiging van de belangen van het personeel anderzijds elkaar zouden uitsluiten. De memorie van toelichting vermeldt daarover het volgende: [72]
De ondergetekenden zijn met de Raad[de SER, A-G]
van oordeel, dat het karakter van de ondernemingsraad als overlegorgaan, d.w.z. als college waarin de ondernemer, persoonlijk of door middel van een vertegenwoordiger, met vertegenwoordigers van de werknemers overleg pleegt over aangelegenheden die voor de onderneming in het algemeen en/of voor de werknemers in het bijzonder van belang zijn, behouden moet blijven, maar zij zijn het ermee eens dat dit niet uitsluit dat de ondernemingsraad tevens gezien kan worden (en in de praktijk ook gezien wordt) als een orgaan dat de werknemers vertegenwoordigt en dat in het kader van het overleg zo nodig ook de speciale belangen van de werknemers binnen de onderneming naar voren brengt. (…)
in het belang van het goed functioneren van die onderneming in al haar doelstellingen” verplicht om “
ten behoeve van het overleg met en de vertegenwoordiging van de in de onderneming werkzame personen een ondernemingsraad in te stellen”. [74] De ondernemingsraad kreeg dus een tweeledige doelstelling: (i) het dienen van de belangen van de onderneming én (ii) het vertegenwoordigen van het personeel werkzaam in die onderneming. [75]
met opgave van redenen”diende te geschieden. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is nog wel de vraag gesteld of hierbij geen limitatieve opsomming moest worden gegeven van de redenen die voor een voordracht tot ontslag noodzakelijk zijn. Verder is de vraag voorgelegd of een ontslagregeling voor gekozen ondernemingsraadleden in het geheel wel noodzakelijk is. Sommige Kamerleden waren van mening dat de ontslagregeling moest vervallen, omdat deze de onschendbaarheid van het ondernemingsraadlid ontkracht, zo is te lezen in het voorlopig verslag: [76]
Vele andere leden alsmede enige leden zouden bij dit artikel[art. 13, A-G]
een tweetal vragen beantwoord willen zien.
dezelfde redenen die zich tegen de kandidatuur van een bepaalde persoon kunnen verzetten”, ook aanleiding kunnen zijn om iemand die zich pas tijdens de uitoefening van het ondernemingsraadlidmaatschap als “
destructief” heeft laten kennen, voor te dragen voor ontslag. Dit doet de vraag rijzen welke redenen zich konden verzetten tegen de kandidatuur voor het lidmaatschap van de ondernemingsraad. Artikel 9 lid 5 WOR Pro 1971 vermeldde slechts dat de bedrijfscommissie op een “
met redenen omkleed verzoek van de ondernemer” kan bepalen dat een of meer van de voorstelde kandidaten door de indieners van de kandidatenlijst door andere kandidaten moeten worden vervangen. Daarmee biedt de wettekst geen aanknopingspunten voor de beantwoording van hiervoor vermelde vraag. Ook de parlementaire geschiedenis van de WOR 1971 biedt weinig aanknopingspunten. In de memorie van toelichting is niet meer te lezen dan dat de bepaling in art. 11 lid 6 WOR Pro 1950 gehandhaafd is in art. 9 lid 5 WOR Pro 1971 en enkele uitbreidingen heeft ondergaan, die voor zich spreken. [78] De memorie van antwoord vermeldt dat art. 9 lid 5 WOR Pro 1971 ertoe strekt “
de verkiezing te verhinderen van personen waarvan van tevoren vaststaat, dat zij in de ondernemingsraad slechts destructief werkzaam zullen zijn, hetzij uit hoofde van hun capaciteiten, hetzij uit hoofde van hun intenties.” [79] Uit de memorie van antwoord blijkt verder dat de regering van mening was dat de ontslagregeling in art. 13 WOR Pro 1971 praktisch alleen preventief werkt. Als reden voor het (toch) handhaven van die wettelijke regeling noemt zij dat de voorzitter van de ondernemingsraad, anders dan bijvoorbeeld de voorzitter van een Gemeenteraad, niet de mogelijkheid heeft om een ondernemingsraadlid dat zich niet aan voorschriften of aanwijzingen betreffende de orde wenst te houden uit een vergadering te verwijderen. Volgens de regering kan “
bij herhaald wangedrag” ontslag dan ook het enige beschermingsmiddel zijn. [80]
Hoewel bepaalde ordemaatregelen nodig zijn, achten de indieners het niet juist een gekozene door een orgaan waarvan hij deel uitmaakt te laten ontslaan.”
Wij menen dat men er ten aanzien van de ondernemingsraad inderdaad van moet blijven uitgaan, dat dit een ondernemingsorgaan is, dat functioneert in een samenwerkingsverband binnen de onderneming, met als taak het bij de ondernemingsleiding naar voren brengen van de visies (en zo nodig de belangen) van het personeel ten aanzien van de verschillende punten van het ondernemingsbeleid. Wij menen in dit verband tevens, dat vertegenwoordiging en overleg eventueel wel te onderscheiden, maar in ieder geval niet te scheiden zijn, en dat het in wezen twee kanten van een en dezelfde taak zijn, omdat het ene zonder het andere zinloos is. Dit gaat op voor elk vertegenwoordigend orgaan, dus ook voor de ondernemingsraad. Indien als uitgangspunt genomen wordt dat vertegenwoordiging en overleg beide grondslag dienen te zijn en te blijven van de samenwerking binnen de onderneming, gaat het erom of in het organisatorisch vlak een synthese van deze beide elementen te verwezenlijken is, op een zodanige wijze dat in de praktijk gebleken bezwaren tegen de huidige samenwerkingsstructuur, want die zijn gebleken, kunnen worden opgevangen. Wij achten dit wel degelijk mogelijk.
(…) Dat de Regering de keus toch na zorgvuldige overweging van de onderscheiden mogelijkheden op de voorgestelde structuur heeft laten vallen, hetgeen een grotere verzelfstandiging van de ondernemingsraad zal inhouden, is met name hiertoe terug te voeren dat zij bijzonder gewicht heeft willen geven aan bepaalde ervaringen die met de toepassing van de ondernemingsraad zijn opgedaan. Daarbij heeft ook gespeeld dat de huidige ondernemingsraad personen met verschillende verantwoordelijkheden in één orgaan verenigt. (…).
Ons uitgangspunt bij de herziening van deze wet is geweest de overtuiging dat een zelfstandige ondernemingsraad, alleen bestaande uit gekozen leden, beter functioneert als medezeggenschapsorgaan en een betere overlegpartner zal zijn. Op basis hiervan wordt de overlegvergadering dan de bijeenkomst van twee zelfstandige partners, de ondernemingsraad en de bestuurder, die in overleg treden teneinde informatie uit te wisselen, elkaars meningen en argumenten te vernemen en op grond daarvan in of buiten de overlegvergadering tot besluiten te komen. Zo bezien, is het er verre van dat de overlegvergadering een accentuering zou moeten betekenen van verdeeldheid in de onderneming. Integendeel, deze vergadering is – zoals bovengenoemde leden terecht stellen – een ontmoetingspunt, en wel een noodzakelijk ontmoetingspunt.” [92]
ontslagvervangen door de mogelijkheid van
uitsluitingvan een ondernemingsraadlid van alle of bepaalde werkzaamheden van de ondernemingsraad: [93]
Artikel 13
De bedrijfscommissie kan op verzoek van een ondernemer of van een ondernemingsraad een lid van die raad voor een door haar te bepalen termijn van deelname aan de werkzaamheden van de ondernemingsraad uitsluiten. Het verzoek kan uitsluitend worden gedaan, door de ondernemer op grond van het feit dat het betrokken ondernemingsraadlid het overleg van de ondernemingsraad met de ondernemer ernstig belemmert, en door de ondernemingsraad op grond van het feit dat de betrokkene de werkzaamheden van de ondernemingsraad ernstig belemmert. De betrokkene wordt door de verzoeker vooraf in de gelegenheid gesteld zijn oordeel over het verzoek te doen blijken.
De bedrijfscommissie stelt de ondernemingsraad, onderscheidenlijk de ondernemer van een bij haar ingediend verzoek in kennis. Zij beslist niet dan na de betrokkene in de gelegenheid te hebben gesteld zijn oordeel over het verzoek aan haar te doen blijken.
De bedrijfscommissie kan bepalen dat de betrokkene zich, hangende de beslissing van de bedrijfscommissie, van deelname aan alle of bepaalde werkzaamheden van de ondernemingsraad moet onthouden.”
(…) Een dergelijke bevoegdheid voor de ondernemer is naar hun oordeel in flagrante strijd met de beoogde verzelfstandiging. Dat hij belang heeft bij goed overleg met de ondernemingsraad, zoals in de memorie van toelichting wordt aangevoerd, is ongetwijfeld waar. De bereidheid van alle ondernemingsraadsleden daartoe kan de ondernemer stimuleren door een goed sociaal beleid. De wetgever moet een goed en gelijkwaardig overleg stimuleren door de zelfstandigheid van de ondernemingsraad buiten twijfel te stellen.”
anachronisme” gelet op de met het wetsvoorstel beoogde “
zogenaamde verzelfstandiging van de ondernemingsraad”. [98] De leden van de PSP-fractie gingen zelfs nog een stap verder en noemden het “
absurd” dat de mogelijkheid van de ondernemer om een ondernemingsraadlid voor ontslag voor te dragen, gehandhaafd werd. [99] De leden van de D66-fractie “
betreurden” het handhaven van art. 13 WOR Pro 1971, [100] terwijl de leden van de CPN-fractie zich expliciet tegen het handhaven van deze bepaling verklaarden, omdat de mogelijkheid van de ondernemer om een ondernemingsraadlid voor te dragen voor ontslag “
de onschendbaarheid van een ondernemingsraadlid” aantast en “
een belemmering[zal]
zijn voor het lid om zijn functie naar behoren te kunnen uitoefenen.” [101] De leden van de fracties van KVP, ARP en CHU [102] en van de VVD-fractie [103] lieten hun twijfels over het handhaven van de regeling in art. 13 WOR Pro doorklinken in de vraag, kort gezegd, of de bevoegdheid van de ondernemer om een ondernemingsraadlid voor ontslag voor te dragen nog wel past bij een ondernemingsraad als zelfstandig orgaan van gekozen leden.
ontslagte vervangen door minder verstrekkende maatregel van
uitsluiting: [104]
(…)
.Voor de oplossing van dit probleem heeft de regering zich laten inspireren door de figuur van uitsluiting bij publieke instellingen en kennelijk in het bijzonder door de regeling in het reglement van orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het volledig laten vervallen van art. 13 WOR Pro 1971, zoals door enkele Kamerfracties was gesuggereerd, is door de regering van de hand gewezen.
uitsluitingvan de ondernemingsraadlid in strijd is met de voorgestelde verzelfstandiging van de ondernemingsraad, [105] heeft de regering nogmaals gewezen op het grote belang van de ondernemer bij het goed functioneren van de ondernemingsraad, met name in verband met het door hem met de ondernemingsraad te voeren overleg. Verder merkte de regering op dat de mogelijkheid dat de ondernemer als niet-lid van de ondernemingsraad het initiatief tot uitsluiting neemt ook het voordeel kan hebben dat de ondernemingsraadleden zich niet in eerste instantie over het gedrag van een medelid hoeven uit te spreken: [106]
De leden van de P.P.R.-fractie vinden dit voorstel weliswaar een verbetering, maar vragen zich af of de gronden voor uitsluiting niet in de wet zou uitsluiting kan doen. Zij vinden deze mogelijkheid in strijd met de door ons voorgestelde verzelfstandiging van de ondernemingsraad. Wij zijn echter van mening, dat de ondernemer groot belang blijft houden bij een zo goed mogelijk functioneren van de ondernemingsraad, met name in verband met het door hem met de ondernemingsraad te voeren overleg. De mogelijkheid dat een niet-lid van de ondernemingsraad dit initiatief kan nemen, kan ook het voordeel hebben dat de ondernemingsraadleden zich niet in eerste instantie over het gedrag van een van hun medeleden behoeven uit te spreken.”
een bepaling ter bescherming van het goed functioneren van zowel de ondernemingsraad als het overleg met de ondernemer moeilijk kan worden gemist in de wet.” [108] Daarbij merkte hij op dat ook de ondernemer om uitsluiting moet kunnen verzoeken, omdat deelname aan het overleg met de ondernemer tot de werkzaamheden van de ondernemingsraad behoort en het ondernemingsraadlid ook de overlegvergadering “
zou kunnen verstoren”. [109]
(…)
Het houdt geen verband met opvattingen die dat lid verkondigt, maar wel met zijn democratisch functioneren in het geheel.” [112]
Het verzoek kan uitsluitend worden gedaan op grond van het feit dat het betrokken ondernemingsraadlid het functioneren van de ondernemingsraad of het overleg van die raad met de ondernemer ernstig belemmert.”
.Deze rechtspraak is, niet verrassend, sterk feitelijk getoonzet en geeft door het casuïstische karakter ervan een wisselend beeld.
inbreuken op de democratische spelregels, zoals ordeverstoringen en ander nadelig optreden in vergaderingen of het op andere wijze opzettelijk en bij herhaling ernstig belemmeren van het werk van de ondernemingsraad of van het overleg met de ondernemer.” [134]
[e]r sprake [kan] zijn van een ernstige belemmering bij het herhaaldelijk handelen in strijd met de verplichting tot geheimhouding of het doen van mededelingen met de kennelijke bedoeling de positie en de geloofwaardigheid van de or te ondergraven.” [135]
inbreuken op de democratische spelregels, zoals ordeverstoringen en ander destructief optreden in vergaderingen of het op andere wijze opzettelijk en bij herhaling ernstig belemmeren van het werk van de ondernemingsraad of van het overleg met de ondernemer. [136]
(…) Deze nieuwe regeling is bedoeld als een ordemaatregel. In zijn algemeenheid gaat het hier om het probleem hoe er gehandeld moet worden als een in een orgaan gekozen lid door zijn gedragingen opzettelijk en bij herhaling de werkzaamheden van dit orgaan doet stagneren, aldus de indieners van de nieuwe wet. De vraag blijft wanneer sprake is van een dergelijk stagneren. Tijdens de openbare behandeling stelde minister Albeda: ‘Het houdt geen verband met opvattingen die dat lid verkondigt, maar wel met zijn democratisch functioneren in het geheel.’ Zo wordt het probleem echter verschoven. Niet iedereen verstaat hetzelfde onder democratisch functioneren. Ondernemers die niet erg goed tegen kritiek kunnen vinden wellicht vrij snel een bepaald optreden van een ondernemingsraadlid niet meer democratisch. De minister spreekt verder in dat debat over het verstoren van een vergadering. Samengevat moet dan onder het ernstig belemmeren uit de nieuwe wet worden begrepen: het opzettelijk en bij herhaling verstoren van de orde van hetzij de ondernemingsraadsvergadering, hetzij de vergadering van de overlegvergadering. De wettekst van artikel 13 suggereert Pro bij eerste lezing dus een ruimere mogelijkheid dan door de wetgever is bedoeld.”
De wetgever heeft in art. 13 WOR Pro bedoeld de mogelijkheid te geven ernstige belemmering van het ondernemingsraadwerk door een lid van de raad tegen te gaan. Wat moeten we onder ernstige belemmering verstaan? Hierbij moet men denken aan herhaalde ordeverstoring of ander destructief optreden in een vergadering.
minder duidelijk” aanmerkt of art. 13 WOR Pro altijd recidive vergt, daaraan toevoegend – zoals in wezen alle auteurs doen – dat uitsluiting alleen in “
uitzonderlijke gevallen” aan de orde kan komen en dat bij een uitsluitingsverzoek “
grote terughoudendheid” dient te worden betracht: [140]
Duidelijk is dat het niet gaat om het ‘buiten gevecht’ stellen van een lid met van de opinie van de meerderheid in OR of OV afwijkende meningen. Maar het is minder duidelijk of het wel bedoelde ordeverstorende gedrag pas onder de norm valt als van recidive sprake is. De wet bepaalt zulks niet en de zojuist genoemde Nota sprak er niet van. Anderzijds betekent het woord ‘uitsluitend’ in de tweede zin van lid 1 ons inziens, dat alleen in uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid van uitsluiting aan de orde kan komen. In het bijzonder zou een ondernemer maximale terughoudendheid passen. Bij een verzoek om uitsluiting dient, met het oog op het vereiste van ‘ernstige belemmering’ grote terughoudendheid te worden betracht.[] Het blijft tenslotte (zie ad Historie onder de derde wet) problematisch dat hij met het wapen van art. 13 eerste Pro lid een gekozen representant van de in de onderneming werkzamen op non-actief kan doen stellen. Ook de OR past echter terughoudendheid, nu de meerderheid een enkeling die dwars ligt tot zwijgen kan brengen. (…).”
Als een ondernemingsraadlid tegen de werkzaamheden van de ondernemingsraad – ondanks een of meer waarschuwingen – zodanig obstructie pleegt, dat de overige ondernemingsraadsleden of het overgrote deel daarvan redelijkerwijze weigeren nog langer met hem samen te werken, is van een dergelijke ernstige belemmering sprake.
Opzienbarend is vooral dat het hof duidelijk maakt dat de sanctie van uitsluiting eenultimum remedium
is. De ondernemingsraad bestaat uit democratisch gekozen leden die ten behoeve van de werknemers invulling geven aan het grondwettelijke recht op medezeggenschap (art. 19 lid 2 Grondwet Pro). Het wangedrag van een OR-lid moet dan ook worden onderbouwd met concrete feiten én in beginsel met eerdere waarschuwingen om dat gedrag na te laten, ‘waaronder een ondubbelzinnige laatste waarschuwing’, aldus het hof. Dat is nieuw.”;
Ook in deze zaak toetst het hof zeer terughoudend. Het moet gaan om ernstige belemmeringen van het OR-werk en/of het overleg, zo benadrukt het hof nog eens. Voorts acht het hof het essentieel dat voor alle betrokkenen duidelijk moet zijn dat er sprake is van ‘laatste waarschuwingen’, waar bij herhaling van het omstreden gedrag (of vergelijkbare grensoverschrijdingen) art. 13 WOR Pro zal worden ingezet. In de ogen van het Hof was daarvan, ondanks alles wat was voorgevallen, onvoldoende sprake.”;
De reden dat het bewuste OR-lid echter het hoger beroep won is niet omdat zijn gedrag niet ergerlijk zou zijn, maar omdat noch de ondernemer noch de voorzitter van de OR hem een ultimatum heeft gesteld. Weliswaar was er wel voldaan aan het vereiste van art. 13 lid 2 WOR Pro, het ‘horen’ van de betrokkene, maar er was geen laatste waarschuwing gegeven.”
zodanigwangedrag van het betreffende lid zelf dat de ondernemer of de ondernemingsraad met recht en reden kan zeggen dat dit, gelet op de aard en ernst ervan en de overige omstandigheden van het geval, een
ernstigebelemmering oplevert van het overleg (voor de ondernemer) of van de werkzaamheden van de ondernemingsraad (voor de ondernemingsraad). [147] Het kan daarbij om eenmalig wangedrag gaan, maar ook om meervoudig wangedrag.
ernstig belemmert”.
steeds(altijd, in alle gevallen) geldt dat het kunnen aannemen van een ernstige belemmering als bedoeld in art. 13 lid 1 WOR Pro een of meer van zulke eerdere ‘waarschuwingen’ vergt, behoudens feiten en omstandigheden die maken dat ondanks het ontbreken daarvan zo’n ernstige belemmering toch aangenomen kan worden, dan heeft mijns inziens te gelden dat een dergelijke algemeen geldende invulling van art. 13 WOR Pro geen steun vindt in het recht, in de kern omdat zo’n invulling het stelsel van art. 13 WOR Pro te veel doorkruist.
een scherpe opsomming van de gronden voor uitsluiting”. [159] Daarbij past dat in de parlementaire geschiedenis wel enkele in generieke termen gestelde indicaties zijn gegeven van waarover het hier kan gaan, maar niet meer dan dat. [160] Het aannemen van een dergelijke algemeen geldende invulling, die door de daarin vervatte verabsolutering van het vereiste van zulke eerdere waarschuwingen het beoordelingskader van art. 13 WOR Pro ingrijpend structureel beïnvloedt, valt daarmee bezwaarlijk te rijmen. Ook bij (voorlopers van) art. 13 lid 2 WOR Pro is daarvoor geen aanknopingspunt te vinden. [161]
in een enkel, specifiek gevalkan gelden dat het aannemen van een ernstige belemmering als bedoeld in art. 13 lid 1 WOR Pro een of meer van zulke eerdere ‘waarschuwingen’ vergt, behoudens feiten en omstandigheden die maken dat ondanks het ontbreken daarvan zo’n ernstige belemmering toch aangenomen kan worden? Bij een dergelijke incidentele, want tot zo’n uitzonderingsgeval beperkte invulling van art. 13 WOR Pro liggen de kaarten anders: daarvoor is mijns inziens wél voldoende steun in het recht te vinden. Daarmee bepleit ik een middenkoers met ruimte voor variatie, geen categorisch ‘alles’ (aanvaarding van zo’n algemeen geldende invulling) of ‘niets’ (verwerping van ook zo’n incidenteel geldende invulling). [164]
somsaan het niet gegeven zijn van een eerdere, relevant geachte ‘waarschuwing’ een bijzondere betekenis kan toekomen in een art. 13 WOR Pro-procedure. Aldus dat dan aanleiding kan bestaan dat ontbreken aan te merken – als niet zo maar een omstandigheid, maar – als een belangrijke contra-indicatie [165] voor het aannemen van een ernstige belemmering als bedoeld in art. 13 lid 1 WOR Pro, met dien verstande dat er al met al sprake kan zijn van feiten en omstandigheden die daar tegenop wegen en het aannemen van zo’n ernstige belemmering dan toch kunnen funderen. Zulke gevallen, hoewel a-typisch, kunnen zich voordoen. Wanneer daarvan sprake is, valt op voorhand niet haarscherp uit te tekenen, maar dat hoeft ook niet; het zal bovendien naar de aard steeds gaan om voldoende sprekende gevallen. Ik geef twee voorbeelden waarvan ik mij goed kan voorstellen dat toepassing van een dergelijke invulling daarin, hoewel de uitzondering, te billijken valt.
ernstigebelemmering als bedoeld in art. 13 lid 1 WOR Pro, tenzij in het licht van alle feiten en omstandigheden het wangedrag niettemin zodanig is dat het zo’n ernstige belemmering op basis van een vertrouwensbreuk fundeert (en het art. 13 lid 1 WOR Pro-verzoek dus toch niet te vroeg is gedaan).
ernstigebelemmering als bedoeld in art. 13 lid 1 WOR Pro, tenzij in het licht van alle feiten en omstandigheden het wangedrag niettemin zodanig is dat het zo’n ernstige belemmering op basis van een vertrouwensbreuk fundeert (en het art. 13 lid 1 WOR Pro-verzoek dus toch niet te vroeg is gedaan).
het feit” van ernstige belemmering door dat lid van het overleg met de ondernemer of de werkzaamheden van de ondernemingsraad, wat impliceert dat een dergelijk intern disfunctioneren zich daadwerkelijk moet voordoen (niet slechts potentieel) wil van de ordemaatregel ‘uitsluiting’ sprake kunnen zijn. Een goede werking van de medezeggenschap vergt ook dat, evenals de hoge drempel van art. 13 lid 1 WOR Pro. En niet elk wangedrag leidt tot dat feit, nu het moet gaan om
zodanigwangedrag van het betreffende lid dat de ondernemer of de ondernemingsraad met recht en reden kan zeggen dat dit, gelet op de aard en ernst ervan en de overige omstandigheden van het geval, een
ernstigebelemmering oplevert van het overleg (voor de ondernemer) of van de werkzaamheden (voor de ondernemingsraad). Dit maakt het voor de rechter mogelijk om, binnen die kaders en in daartoe geëigende gevallen, in art. 13 WOR Pro-procedures maatwerk toe te passen ook via een dergelijke incidenteel geldende invulling, wat overigens strookt met het in de parlementaire geschiedenis aan art. 13 WOR Pro toegekende flexibele karakter van de daarin vervatte uitsluitingsregeling. [168]
een scherpe opsomming van de gronden voor uitsluiting”, laat vanzelfsprekend onverlet dat in de rechtspraak wel voor bepaalde gevallen enig reliëf kan worden aangebracht in het kader van art. 13 WOR Pro, nog steeds ingebed in alle feiten en omstandigheden van het voorliggende geval. Op andere terreinen met open normen gebeurt dat eveneens en op gevarieerde wijze, ook elders in het ondernemingsrecht. [170] Dat strookt ook met de realiteit dat de wetgever door middel van een open norm, zoals die vervat in art. 13 lid 1 WOR Pro, wat betreft rechtsontwikkeling veel overlaat aan de rechter met inachtneming van de ter zake door de wetgever aangebrachte kaders. [171] Dit alles biedt – zo nodig via een redelijke, op de praktijk gerichte uitleg van art. 13 WOR Pro – de ruimte voor het aannemen van de mogelijkheid van een dergelijke incidenteel geldende invulling, ook al heeft de wetgever dit niet met zoveel woorden in art. 13 WOR Pro neergelegd (wat overigens voor de hand ligt, nu het daarbij juist niet gaat om een algemeen geldende invulling van art. 13 WOR Pro). Zoals volgt uit het voorgaande doet daaraan niet af dat art. 13 WOR Pro een ordemaatregelkarakter heeft, gericht op het toekomstige goede functioneren van de ondernemingsraad of het overleg met de ondernemer.
wangedrag als hier aan de orde is, zonder méér, dus zonder bijkomende omstandigheden, nog niet onder dat bereik hoeft te vallen [181] en evenmin overigens in de weg hoeft te staan aan een behoorlijke vervulling door dat lid van zijn werkzaamheden (integendeel, zou ik denken). Van het doen van een uitsluitingsverzoek – wat verder strekt dan zulk aanspreken, maar waarmee uitsluiting nog niet gegeven is – wordt dat evenmin aangenomen, mede gelet op de mogelijkheid die de wet zelf daartoe biedt in art. 13 WOR Pro. Dit alles bevreemdt ook niet, nu bij zulk aanspreken of zo’n verzoek centraal staat dat (bevorderen van het) functioneren van de ondernemingsraad of overleg met de ondernemer en de rol van het betreffende lid daarin, met als aanleiding en onderwerp diens daarmee aanwijsbaar strijdige wangedrag. In een dergelijke incidenteel geldende invulling strekt zulk aanspreken van dat lid (met de daaraan inherente herstelmogelijkheid) veeleer tot een zekere bescherming van dat lid wat betreft uitsluiting op de voet van art. 13 WOR Pro, wat hier ook een relevant gezichtspunt is.
mogelijkheidvan zulk aanspreken van een lid op diens wangedrag trouwens ook de voor de hand liggende wenselijkheid van gezonde, doelmatige de-escalatie waardoor een art. 13 lid 1 WOR Pro-verzoek met alle gevolgen van dien wordt voorkomen (waaraan zulk aanspreken kan bijdragen) [188] en die in de praktijk naar kan worden aangenomen toepassing vindt, gelet ook op de zeer beperkte rechtspraak inzake (voorlopers van) art. 13 WOR Pro. [189] Ik wijs hier ook nog op art. 13 lid 2 WOR Pro: dit ziet weliswaar op het moment nadat door de ondernemer en/of de ondernemingsraad de beslissing is genomen om te gaan te koersen op uitsluiting, maar laat ook zien dat art. 13 WOR Pro hoe dan ook niet ervan uitgaat dat er voorafgaand aan het art. 13 lid 1 WOR Pro-verzoek geen contact is met het betreffende lid wat betreft dat voornemen. Het is daarbij denkbaar dat de partij die voornemens is het art. 13 lid 1 WOR Pro-verzoek te doen, daarvan afziet na dat contact (zo het betreffende lid gebruik maakt van de daartoe geboden mogelijkheid).
de Duitse rechtspraak en de heersende leer in de Duitse literatuur” de door het cassatiemiddel voorgestane benadering ondersteunen en aan de in Duitsland gehanteerde argumenten dezelfde kracht toekomt “
in de Nederlandse setting”, [190] maken het voorgaande niet anders. Volledigheidshalve merk ik daarover het volgende op.
Tarifverträge” (cao’s), “
vertrauensvoll” en in samenwerking met de in het bedrijf vertegenwoordigde werkgevers- en werknemersorganisaties samenwerken tot het welzijn van de werknemer en het bedrijf. § 23 Abs. 1 BetrVG bepaalt, zakelijk weergegeven, dat ten minste een vierde deel van de kiesgerechtigde werknemers, de werkgever of een in het bedrijf vertegenwoordigde vakbond bij het “
Arbeitsgericht” de uitsluiting (“
den Ausschluss”) van een lid uit de ondernemingsraad of de opheffing (“
Auflösing”) van de ondernemingsraad wegens ernstige schending (“
grober Verletzung”) van zijn wettelijke verplichtingen kan verzoeken. De uitsluiting van een lid kan ook door de ondernemingsraad verzocht worden. [194] § 78 BetrVG bepaalt, zakelijk weergegeven, dat de leden van de ondernemingsraad niet in de uitoefening van hun werkzaamheden als lid gestoord of gehinderd mogen worden (“
in der Ausübung ihrer Tätigkeit nicht gestört oder behindert werden”). Verder geldt een verbod tot benadeling of begunstiging van deze leden vanwege dat lidmaatschap (“
Sie dürfen wegen ihrer Tätigkeit nicht benachteiligt oder begünstigt werden; dies gilt auch für ihre berufliche Entwicklung”).
[a]an de in Duitsland gehanteerde argumenten in de Nederlandse setting dezelfde kracht toe[komt]”: [195] dat is te kort door de bocht. [196]
de Duitse rechtspraak en de heersende leer in de Duitse literatuur” behoeft nuancering. Ik wijs daartoe op het volgende, te beginnen met Duitse rechtspraak.
BAG, 05.12.1975 - 1 AZR 94/74”.
fristlos”) beëindigd zou worden. De elektrotechnicus stapte naar de rechter en eiste dat de werkgever veroordeeld zou worden de berisping uit zijn personeelsdossier te halen.
Soweit die Beklagte dem Kläger eine grobe Verletzung seiner Pflichten als Betriebsratsmitglied vorwirft, steht ihr nicht das Recht zu, deshalb einen Verweis zu erteilen. Wollte sie dem Kläger nicht außerordentlich kündigen und auch nicht das gerade wegen derartiger Verstöße in § 23 Abs. 1 BetrVG eingeräumte Recht ausüben, den Ausschluß des Klägers aus dem Betriebsrat wegen grober Pflichtverletzung zu beantragen, dann stand ihr mangels einer Bußordnung nur die Möglichkeit offen, über den Betriebsrat auf den Kläger einzuwirken, die ihm als Betriebsratsmitglied obliegenden Pflichten zu beachten. Die Verletzung betriebsverfassungsrechtlicher Pflichten ist der Verletzung arbeitsvertraglicher Pflichten nicht gleichzusetzen und deren Abmahnung kann daher auch nicht mitbestimmungsfrei sein (a.M. LAG Düsseldorf, DB 1975, 359).”
grobe Verletzung”) van zijn verplichtingen als ondernemingsraadlid verwijt, niet het recht heeft om, om die reden, over te gaan tot ‘berisping’ van de werknemer met gevolgen in de arbeidsrechtelijke sfeer (de berisping werd in het personeelsdossier opgenomen). Ik lees hierin niet, zoals AB Vakwerk c.s. doet, “
dat een waarschuwing door de werkgever wegens het schenden door een lid van deBetriebsrat
van zijn verplichtingen als ondernemingsraadlid, principieel niet mogelijk is”.
deze regel” – de regel dat een waarschuwing als daarvoor bedoeld “
principieel niet mogelijk is” – in een uitspraak uit 1993 heeft ‘verfijnd’ door deze te ‘verduidelijken’. Het BAG zou hebben overwogen dat gedrag van een ondernemingsraadlid “
alleen dan” zo’n waarschuwing kan rechtvaardigen, wanneer dat gedrag niet alleen een tekortkoming in de verplichtingen als ondernemingsraadlid oplevert, maar daarnaast – en los daarvan – ten minste ook
(“
zumindest auch”
)een arbeidsrechtelijk verwijt rechtvaardigt. Verwezen wordt naar “
BAG 10 november 1993, 7 AZR 682/92 - AP NR. 4 zu para 78 BetrVG 1971, rov. 23”.
Hinweis”). De ondernemingsraad hield echter voet bij stuk en de werknemer woonde het seminar bij. De werknemer ontving vervolgens op 15 november 1991 een “
Abmahnung”, waarin hem werd medegedeeld dat hij zich in de toekomst moest houden aan de in zijn arbeidsovereenkomst opgenomen verplichtingen en dat, in het geval van herhaling, zijn arbeidsovereenkomst opgezegd zou worden (“
Im Wiederholungsfall müssen Sie mit der Kündigung des Arbeitsverhältnisses rechnen”). Deze “
Abmahnung” werd in zijn personeelsdossier opgenomen. De werknemer stapte naar de rechter en vorderde dat de werkgever veroordeeld zou worden om de “
Abmahnung” uit zijn personeelsdossier te halen.
5. (…) a) Das BAG hat zwar erkannt, daß eine Kündigung unzulässig sei, wenn einem Betriebsratsmitglied ledigl. die Verletzung seiner Amtspflicht zum Vorwurf gemacht werden könne. Dann sei nur ein Ausschlußverfahren nach § BETRVG § 23 BetrVG möglich. Andererseits komme eine außerordentl. Kündigung in Betracht, wenn zugleich eine schwere Verletzung der Pflichten aus dem Arbeitsverhältnisses vorliege. An die Berechtigung einer solchen fristlosen Entlassung sei ein “strengerer Maßstab” anzulegen als bei einem Arbeitnehmer, der dem Betriebsrat nicht angehöre (BAG Beschluß vom 16. 10. 1986 - 2 ABR 71/85 - AP Nr. AP BGB § 95 zu § 626 BGB [II 4 der Gründe] m. w. N.; BAG Urt. vom 15. 7. 1992 - 7 AZR 466/91 - AP Nr. AP BGB § 611 9 zu § 611 BGB Abmahnung [für die Amtl. Samml. bestimmt] m. w. N.).Dementsprechend kommt eine Pflichtverletzung durch ein Betriebsratsmitglied als Gegenstand einer Abmahnung in Betracht, wenn das Betriebsratsmitglied zumindest auch seine arbeitsvertragl. Pflichten verletzt hat[onderstreping toegevoegd, A-G]
. Umgekehrt ist, wenn das Verhalten eines Arbeitnehmers zugleich auch eine Verletzung seiner Pflicht als Betriebsratsmitglied darstellt, eine Abmahnung wegen der Verletzung seiner arbeitsvertragl. Pflichten nicht ausgeschlossen (BAG Urt. vom 15. 7. 1992 AP Nr. AP BGB § 611 9 zu § 611 Abmahnung, m. w. N.). Ein Betriebsratsmitglied ist, abgesehen von der Arbeitsbefreiung wegen Betriebsratstätigkeit, ebenso zur Arbeitsleistung verpflichtet wie jeder andere Arbeitnehmer. Damit besteht auch hinsichtl. der Zulässigkeit einer Abmahnung unter diesem Gesichtspunkt kein Unterschied zu Arbeitnehmern, die kein Betriebsratsamt innehaben (BAG Urt. vom 15. 7. 1992, AP Nr. AP BGB § 611 9 zu § 611 Abmahnung; BAG Urt. vom 6. 8. 1981 - 6 AZR 1086/79 - AP Nr. AP BETRVG1972 § 40 zu § 37 BetrVG 1972 [II 1 der Gründe]).”
waarin gevolgen voor de arbeidsovereenkomst worden aangezegd(dus een “
Abmahnung” zoals de werknemer, tevens lid van de ondernemingsraad, die in de voorliggende zaak op 15 november 1991 had ontvangen) enkel in aanmerking komt als de werknemer
ten minste ookverplichtingen uit zijn arbeidsovereenkomst niet is nagekomen. [197] Het begrip “
Abmahnung” heeft hier dus een specifieke betekenis: in de betreffende “
Abmahnung” van 15 november 1991 werd de werknemer door de werkgever medegedeeld dat in het geval van herhaling zijn arbeidsovereenkomst zou worden opgezegd.
2. Bei dieser Würdigung hat das Landesarbeitsgericht schon nicht hinreichend zwischen der auf einer Verletzung der Pflichten aus dem Arbeitsverhältnis beruhenden individualrechtlichen Abmahnung und einem Hinweis des Arbeitgebers auf das Vorliegen und die Rechtsfolgen einer Verletzung betriebsverfassungsrechtlicher Pflichten unterschieden. Insbesondere mit seinen Ausführungen darüber, der Alleingang des Klägers habe gegen die Verpflichtungen aus § 2 BetrVG zur vertrauensvollen Zusammenarbeit verstoßen, bezieht das Landesarbeitsgericht eine angebliche Verletzung betriebsverfassungsrechtlicher Pflichten durch den Kläger in die Beurteilung der vorliegenden, ausschließlich individualrechtlichen Abmahnung ein.Bei Verstößen gegen betriebsverfassungsrechtliche Pflichten, die nicht zugleich eine Verletzung der Pflichten aus dem Arbeitsverhältnis darstellen, kommt indessen nach ständiger Rechtsprechung (vgl. z.B. BAG Beschluß vom 16. Oktober 1986 – BAG Aktenzeichen 2ABR7185 2 ABR 71/85 – , zu II 4 der Gründe, m.w.N.; Senatsurteil vom 10. November 1993 – BAG Aktenzeichen 7AZR68292 7 AZR 682/92 –, a.a.O., zu 5 a der Gründe) keine Kündigung und damit auch keine Kündigungsandrohung für den Wiederholungsfall, sondern nur ein Antrag nach § 23 Abs. 1 BetrVG und damit auch nur die Inaussichtstellung eines solchen Antrags für den Wiederholungsfall in Betracht[onderstreping toegevoegd, A-G].
Kündigungsandrohung“ (aanzegging tot opzegging van de arbeidsovereenkomst in het geval van herhaling) in aanmerking komt, maar enkel een verzoek op grond van § 23 Abs. 1 BetrVG
en daarmee ook slechts het voor het geval van herhaling in het vooruitzicht stellen van zo’n verzoek.De werkgever mag dus kennelijk, blijkens deze uitspraak, een lid van de ondernemingsraad bij wege van (laatste) waarschuwing een § 23 Abs. 1 BetrVG-verzoek ‘in het vooruitzicht stellen’.
endgültige”) beslissing gegeven over de toelaatbaarheid van dergelijke “
betriebsverfassungsrechtlichen Abmahnungen”, waarmee in de Duitse literatuur [199] – en ook door Richter – in het bijzonder wordt gedoeld op een brief van de werkgever aan een werknemer, tevens lid van de ondernemingsraad, of aan de voltallige ondernemingsraad, waarvan de inhoud uit twee elementen bestaat:
im Wiederholungsfall”) er rekening mee moet worden gehouden dat de werkgever op grond van §23 Abs. 1 Betriebsverfassungsgesetz om uitsluiting respectievelijk opheffing zal verzoeken bij de rechter.
Die wohl immer noch überwiegende Meinung ist im Anschluss an eine Entscheidung des BAG vom 5. 12. 1975 der Ansicht, eine Abmahnung wegen Verletzung betriebsverfassungsrechtlicher Pflichten sei unzulässig. (…) Eine algemeine Ablehnung der betriebverassungsrechtlichen Abmahnung kann aus der Entscheidung nicht hergeleitet werden.”
[e]ine ausführliche Begründung für die hersschende Meinung sich nach all dem nur in einem Urteil des LAG Düsseldorfs vom 23.2.1993 [findet].” [204] In deze uitspraak [205] overwoog het Landesarbeitsgericht Düsseldorf dat § 78 BetrVG in de weg staat aan de mogelijkheid om als werkgever een ‘betriebsverfassungsrechtliche Abmahnung’ aan een ondernemingsraadlid te sturen. Een dergelijke ‘Abmahnung’ zou neerkomen op een op grond van § 78 BetrVG niet toegestane verhindering of belemmering in de werkzaamheden van het betreffende lid, omdat niet uitgesloten kan worden dat hij of zij zich erdoor in die werkzaamheden minder vrij voelt tegenover de werkgever. [206]
bestrijdingvan de ‘heersende leer’ biedt Kania. Hij merkt op dat uit het “
Gesichtspunkt der Verhältnismaβigkeit” (het proportionaliteitsbeginsel) volgt dat de werkgever, alvorens hij een § 23 BetrVG-procedure opstart, het betreffende ondernemingsraadlid in beginsel eerst waarschuwt. [208] Het bezwaar dat voor een ‘betriebsverfassungsrechtliche Abmahnung’ geen rechtsgrond zou bestaan in de Duitse wet, acht Kania onjuist. Hij wijst in dit verband op het in § 2 Abs. 1 BetrVG opgenomen “
Grundsatz der vertrauensvollen Zusammenarbeit”. Dit wettelijk verankerde grondbeginsel moet volgens Kania in acht worden genomen door degene die een § 23 BetrVG-procedure opstart. En dat betekent niet alleen dat de werkgever
het rechtheeft het betreffende lid of de voltallige ondernemingsraad eerst te waarschuwen, maar ook dat op hem
de plichtrust hen niet met zo’n verzoek te overvallen, althans voor zover het sturen van zo’n ‘Abmahnung’ tot de mogelijkheden behoort. [209] Over § 78 BetrVG merkt Kania op, ter verdere bestrijding van de ‘heersende leer’, dat, als een ondernemingsraadlid in strijd heeft gehandeld met op hem of haar rustende verplichtingen uit het Betriebsverfassungsgesetz, deze bepaling, vanwege haar beschermingsreikwijdte, geen bescherming biedt. Volgens Kania is algemeen erkend dat § 78 BetrVG slechts bescherming biedt, voor zover het handelen van het lid van de ondernemingsraad of van de voltallige ondernemingsraad rechtmatig is. [210] Hij verwerpt dan ook de in nr. 5.70 hiervoor genoemde uitspraak van het Landesarbeitsgericht Düsseldorf uit 1993. [211]
Dementsprechend muss es im Grundsatz auch zulässig sein, wenn der Arbeitgeber eine ‘betriebsverfassungsrechtliche Abmahnung’ ausspricht.” En net als Kania wijst ook Schleusener op de niet onbeperkte reikwijdte van § 78 BetrVG: [213]
Derartige Abmahnungen können durchaus eine unzulässige Behinderung des Betriebsrat darstellen. Es steht jedoch dem Betriebsratsmitglied frei, die Abmahnung gerichticht überprüfen zu lassen und so auch nach auβen hin klar stellen zu lassen, dass eine zur Abmahnung berechtigende Pflichtverletzung seinerseitz nicht vorlag. Allein die Gefahr, dass sich ein Betriebsratsmitglied gegen eine unrechtmäβige Abmahnung nicht gerichtlich zu Wehr setzt, kann nich dazu führen, das sein Recht des Arbeitgebers, gründsätzlich Abmahnungen auszusprechen, negiert wird.”
grober Verletzung”) van zijn wettelijke verplichtingen) niet opgaat, nu de ‘Abmahnung’ niet gezien moet worden als “
eine andere Santionsmöglichkeit im Sinne eines Aliuds”, maar als een “
Minus”. [214] Zie ik het goed, dan stelt Schleusener zich op het standpunt dat als het ‘meerdere’ (uitsluiting) mag, het ‘mindere’ (waarschuwen voor uitsluiting) ook mag. Ten slotte merkt hij op dat een ‘betriebsverfassungsrechtlichen Abmahnung’ niet moet worden gezien als een sanctie, maar als een middel dat bescherming biedt, nu zij een lid van de ondernemingsraad de mogelijkheid biedt om zijn of haar gedrag aan te passen waardoor een § 23 BetrVG-procedure vermeden kan worden. [215]
die wohl überwiegende Rechtsmeinung” het sturen van een ‘betriebsverfassungsrechtlichen Abmahnung’ niet in strijd is met § 78 BetrVG en in beginsel is toegestaan. Hij ziet niet in waarom een werkgever eerst zou moeten wachten, om vervolgens direct “
die groβe Keule” in de vorm van een § 23 BetrVG-procedure te moeten inzetten.
DB 1996, 374;Kania
NZA 1996, 970; zust. DKKW/Trittin
§ 23 Rn. 21, 148 ff.;Stege/Weinspach/Schiefer
§ 23 Rn. 10a; ArbG Hildesheim 1.3.1996, AuR 1997, 336; AG Berlin 10.1.2007, dbr 2007, Nr. 4, 36, mAnmWolmerath;
den Meinungsstand darstellend mwN LAG Brem 2.7.2013, BeckRS 2015, 73236).”[arcering in het origineel, A-G]
erforderlich”) evenzeer wordt onderkend dat daarover ook anders wordt gedacht in de Duitse doctrine, mede onder verwijzing naar nog weer een andere auteur.
(…) (vgl. LAG Düsseldorf [26. 4. 1993], LAGE § 23 BetrVG 1972 Nr. 31; GK-BetrVG/Oetker, § 23 Rdnr. 36;a.A. Koch, Die Abmahnung eines Betriebsratsmitglieds wegen Amtspflichtverletzung, S. 110 und DKK/Trittin, § 23 Anm. 12: In der Regel geboten).“ [219] [onderstreping toegevoegd, A-G]
förmlichen Abmahnung” in de zin van een “
auf arbeitsvertragliche Pflichtverletzungen beschränkte, Massnahme”. Dat is iets anders dan een ‘betriebsverfassungsrechtlichen Abmahnung’ waarover de discussie hier gaat, blijkens het voorgaande. De relevantie van deze verwijzing kan ik daarmee niet goed plaatsen.
Auf grobe Pflichtverletzungen des Betriebsrats und/oder einzelner seiner Mitglieder kann durch denn Arbeitsgeber grunsätzlich mit einer betriebsverfassungsrechtlichen Abmahnung reagiert werden.”
Abmahnung” als ‘gele kaart’ te zien (rov. 34). Het wijst voorts op een parallel met § 23 Abs. 3 BetrVG, waarin een regeling wordt gegeven voor het geval de werkgever in strijd handelt met het Betriebsverfassungsgesetz. Nu de werkgever conform deze regeling wel eerst een waarschuwing krijgt, ziet het Arbeitsgericht niet in waarom de ondernemingsraad (of een lid daarvan) bij handelen in strijd met dezelfde wet direct met het meest zware middel te maken zou moeten krijgen (rov. 35 en 36).
6.De bespreking van de klachten van AB Vakwerk c.s. in het cassatiemiddel
algemeengeldende invulling van art. 13 WOR Pro als bedoeld onder nrs. 4.6 en 5.56 hiervoor. Dit betekent dat in zoverre de klachten van AB Vakwerk c.s. (onderdelen 1-3 van het cassatiemiddel) terecht zijn voorgesteld. Dit kan evenwel niet leiden tot vernietiging van de bestreden beschikking, gelet op het volgende.
incidenteelgeldende invulling van art. 13 WOR Pro als bedoeld onder nrs. 4.9 en 5.59 hiervoor. Dat oordeel van het hof wordt door AB Vakwerk c.s. niet met succes bestreden. Voor zover de klachten van AB Vakwerk c.s. (onderdelen 1-3 van het cassatiemiddel) zich al mede daar tegen zouden richten, [225] komen deze, gelet ook op de toelichting erop en welwillend gelezen, hoogstens neer op het standpunt dat het hof ook dan is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, omdat een incidenteel geldende invulling van art. 13 WOR Pro evenzeer is uitgesloten. Het voorgaande (o.a. nrs. 5.54-5.55 en 5.59-5.74) brengt mee dat dit standpunt blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. AB Vakwerk c.s. richt overigens geen (rechts- of motiverings)klachten tegen de bestreden beschikking, ook niet [226] wat betreft de door dit specifieke geval ingegeven toepassing door het hof van een dergelijke incidenteel geldende invulling. [227] Daarop loopt het cassatieberoep van AB Vakwerk c.s. vast.