ECLI:NL:CRVB:2015:80
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens bezit woning in Marokko en schending inlichtingenplicht
Appellant ontving sinds 2001 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In 2010 ontstond het vermoeden dat appellant onroerend goed in Marokko bezit, hetgeen werd bevestigd door een onderzoek van het Internationaal Bureau Fraude-Informatie. De woning is getaxeerd op €125.910 en staat op een stuk grond dat appellant bezit.
De gemeente Breda trok het recht op bijstand in over de periode van 18 november 2001 tot en met 31 mei 2011 en vorderde de kosten van bijstand terug wegens het niet melden van het bezit van deze woning, wat een schending van de inlichtingenplicht vormt. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep betwist appellant de bevoegdheid van de commissie en de feitelijke grondslag, maar de Raad oordeelt dat de commissie bevoegd is en dat voldoende bewijs is geleverd dat appellant eigenaar is van zowel de grond als de woning. Appellant heeft dit niet aannemelijk kunnen weerleggen.
De Raad stelt vast dat door de schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld over een lange periode en dat het vermogen in 2010 de vermogensgrens overschreed, waardoor het recht op bijstand nihil was. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.