ECLI:NL:CRVB:2015:805
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden in oud ijzerhandel
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de WWB. Na een onderzoek van de sociale recherche en politie, waarbij waarnemingen, getuigenverklaringen en dossieronderzoek werden verricht, concludeerde het college dat appellant in de periode van 23 februari 2010 tot 1 januari 2013 werkzaamheden verrichtte in de oud ijzerhandel zonder dit te melden. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. In hoger beroep betwistten appellanten de bewijslast en stelden dat de politiewaarnemingen niet als bewijs konden dienen omdat deze verband hielden met milieuwetgeving. De Raad oordeelde echter dat deze feiten wel mochten worden meegewogen en dat de verklaringen van appellant zelf deze bevindingen bevestigden.
Daarnaast werden getuigenverklaringen aangevoerd waaruit bleek dat appellant regelmatig oud ijzer ophaalde en afleverde, waarvoor hij betaald kreeg. De Raad stelde vast dat het verrichten van op geld waardeerbare werkzaamheden een relevante omstandigheid is voor het recht op bijstand, ongeacht de intentie of daadwerkelijke inkomsten.
Appellanten hadden de inlichtingenverplichting geschonden door deze werkzaamheden niet te melden en konden niet aannemelijk maken dat zij recht op bijstand hadden gehad als zij wel hadden voldaan aan deze verplichting. Daarom werd het hoger beroep verworpen en de intrekking en terugvordering van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde werkzaamheden.