ECLI:NL:CRVB:2015:812
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering kinderbijslag na overlijden kind ondanks verjaringsverweer
Appellante ontving vanaf de geboorte van haar zoon in 1995 kinderbijslag, terwijl het kind kort na de geboorte is overleden. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) stelde vast dat appellante geen recht had op kinderbijslag en vorderde het onverschuldigd betaalde bedrag terug over de periode van het vierde kwartaal 1996 tot en met het vierde kwartaal 2010.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, waaronder dat de Svb al in 1996 op de hoogte was van het overlijden en dat de terugvordering was verjaard. Tevens stelde zij dat haar ex-man voor de helft aansprakelijk was en dat de terugvordering onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen had.
De Raad oordeelde dat appellante haar meldingsplicht had geschonden en dat de Svb het beleid omtrent herziening en terugvordering consistent had toegepast. De interne notitie waarop appellante zich beroept, bood onvoldoende bewijs dat de Svb op de hoogte was van het overlijden. De terugvordering was niet verjaard en de Svb mocht het bedrag volledig van appellante terugvorderen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van kinderbijslag en wijst het hoger beroep van appellante af.