ECLI:NL:CRVB:2015:823
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering overneming onbetaalde pensioenpremie directeur-grootaandeelhouder na faillissement
Appellant trad per 1 december 2010 aan als directeur van werkgeefster en had een arbeidsovereenkomst waarin pensioenopbouw in eigen beheer via een pensioen-B.V. werd geregeld. Na faillissement van werkgeefster in juli 2011 verzocht appellant het UWV om overneming van onbetaalde pensioenpremies en autokostenvergoeding.
Het UWV wees dit verzoek af wegens onvoldoende bewijs van concrete betalingsverplichtingen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat geen bindende toezeggingen waren gedaan en dat de positie van appellant als directeur-grootaandeelhouder niet vergelijkbaar was met werknemers met een pensioenregeling bij een verzekeraar.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad oordeelde dat de pensioenverplichtingen onvoldoende concreet en duidelijk waren, mede doordat geen schriftelijke, door werkgeefster aanvaarde offerte of overeenkomst was overgelegd. Het beroep op het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel werd eveneens verworpen.
De Raad concludeerde dat het UWV niet gehouden was tot overneming van de onbetaalde pensioenpremie en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat geen recht bestaat op overneming van onbetaalde pensioenpremie.