ECLI:NL:CRVB:2015:89
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herleving van WW-uitkering wegens onvoldoende motivering en complexe uitkeringssituatie
Appellante ontving sinds 3 maart 2008 een WW-uitkering nadat haar arbeidsongeschiktheid was vastgesteld. Na een ziekmelding werd haar Ziektewet-uitkering beëindigd op 2 maart 2009. Op 2 mei 2012 verzocht zij om herleving van haar WW-uitkering vanaf 3 maart 2009. Het UWV kende haar een WW-uitkering toe met ingang van 2 november 2011, maar wees haar bezwaar tegen dit besluit af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat er geen bijzonder geval was.
In hoger beroep stelde de Raad vast dat appellante door de complexe samenloop van uitkeringen en tegenstrijdige informatie van het UWV de situatie niet goed kon overzien. Tijdens een hoorzitting maakte zij een verwarde indruk en werd toegezegd het dossier te onderzoeken, maar een vervolgafspraak kwam niet tot stand. Het UWV had haar bovendien niet altijd juist geïnformeerd, wat leidde tot onduidelijkheid over haar rechten en plichten.
Gezien deze omstandigheden concludeert de Raad dat sprake is van een bijzonder geval zoals bedoeld in artikel 35 van Pro de WW. Het bestreden besluit van het UWV berust op een onvoldoende motivering. Daarom draagt de Raad het UWV op het besluit binnen zes weken te herstellen, waarbij de WW-uitkering met ingang van 3 maart 2009 moet worden herleefd.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het besluit te herstellen en de WW-uitkering met ingang van 3 maart 2009 te herleven.