Appellant, met de Russische nationaliteit, vroeg op 1 maart 2012 een verblijfsvergunning aan voor verblijf bij zijn partner en ontving deze met terugwerkende kracht. Pas op 26 september 2012 diende hij een aanvraag in voor studiefinanciering voor een post-initiële masteropleiding. De minister wees deze aanvraag af wegens het niet voldoen aan de nationaliteitseis en het ontbreken van een geldig diploma voor de initiële opleiding.
Appellant stelde dat hij door tegenstrijdige en onduidelijke informatie op de website van DUO werd misleid over het tijdstip waarop een aanvraag ingediend kon worden. De rechtbank verwierp het beroep op het vertrouwensbeginsel en de hardheidsclausule. In hoger beroep oordeelde de Raad dat de website-informatie inderdaad tegenstrijdig en niet ondubbelzinnig was, waardoor het vertrouwensbeginsel geen bescherming kon bieden.
De Raad concludeerde dat appellant geen eerdere aanvraag kon doen op het moment van het aanvragen van de verblijfsvergunning, en dat de situatie niet vergelijkbaar was met eerdere jurisprudentie. Telefonisch contact met DUO werd onvoldoende aangetoond. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de studiefinanciering en de uitspraak van de rechtbank.