ECLI:NL:CRVB:2015:94

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 januari 2015
Publicatiedatum
21 januari 2015
Zaaknummer
13-365 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WIA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling

Appellant, die vanwege psychische klachten arbeidsongeschikt was, kreeg aanvankelijk een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend. Na herbeoordeling stelde het UWV vast dat appellant vanaf 1 maart 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarop de uitkering werd ingetrokken. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij de medische en arbeidskundige onderbouwing onderschreef.

In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn psychische beperkingen werden onderschat en dat hij per 1 maart 2012 volledig arbeidsongeschikt was. Hij bracht aanvullende medische informatie in en verzocht om benoeming van een deskundige. De Raad oordeelde echter dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beschikbare medische gegevens geen aanleiding gaven het oordeel van het UWV te betwijfelen.

De Raad wees erop dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid pas per 1 januari 2013 was vastgesteld, wat buiten de in geschil zijnde periode valt. De brief van psychiater Hofman bevestigde deze verslechtering na de datum in geschil. Ook de arbeidsdeskundige beoordeling van de functies was juist en goed gemotiveerd. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de WIA-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

13/365 WIA
Datum uitspraak: 21 januari 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van
7 december 2012, 12/953 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. Arabaci, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Arabaci. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft laatstelijk gewerkt als financieel administratief medewerker en is vanwege psychische klachten op 6 maart 2009 uitgevallen. Bij besluit van 8 februari 2011 is aan appellant een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend over de periode van
4 maart 2011 tot 6 augustus 2011, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. Met ingang van 6 augustus 2011 is de uitkering omgezet in een
WGA-loonaanvullingsuitkering.
1.2.
Bij besluit van 29 december 2011 heeft het Uwv na herbeoordeling vastgesteld dat appellant vanaf 1 maart 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en daarom vanaf die datum geen loonaanvullingsuitkering meer krijgt. Bij besluit van 9 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 december 2011 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige onderbouwing van het bestreden besluit onderschreven. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het betoog van appellant geen aanknopingspunten bevat voor de conclusie dat de medische en arbeidskundige beoordeling door het Uwv op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen of onvoldoende inzichtelijk is. De informatie van basisarts M. Sakarya en psychiater S.W. Hofman vormen onvoldoende aanleiding om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant zijn stelling dat de door het Uwv geraadpleegde psychiater H. Kondakçi vooringenomen was, niet met controleerbare argumenten aannemelijk gemaakt.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat zijn, met name psychische, beperkingen door het Uwv zijn onderschat. Hij heeft gesteld dat er sprake is van een ernstige vorm van psychopathologie, ten gevolge waarvan hij per 1 maart 2012 geen werkzaamheden kon verrichten. Appellant heeft erop gewezen dat aan hem met ingang van 1 januari 2013 wel een volledige Wet WIA-uitkering is toegekend. Ter onderbouwing van zijn psychische klachten heeft appellant nog nadere medische informatie ingebracht van psychiater Hofman van 24 april 2013. Voorts heeft hij verzocht om benoeming van een deskundige die hem zou moeten onderzoeken.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding is het medische onderzoek van de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en te concluderen dat de verzekeringsartsen de beperkingen van appellant hebben onderschat. Gelet op het verslag van psychiater
Kondakçi, die appellant op verzoek van de verzekeringsarts heeft gezien, de inzichtelijk opgestelde rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, alsmede op de overige beschikbare medische gegevens, is er geen aanleiding het medische oordeel in twijfel te trekken. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank ter zake dan ook volledig en maakt die tot de zijne.
4.2.
Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische gegevens in het geding gebracht waaruit blijkt dat het Uwv zijn belastbaarheid heeft overschat en dat hij op 1 maart 2012 op medisch objectiveerbare gronden meer beperkt was dan door het Uwv is aangenomen. Het gegeven dat appellant door het Uwv bij besluit van 13 februari 2014 per 1 januari 2013 wel volledig arbeidsongeschikt is geacht, maakt dat niet anders. Uit de medische stukken die aan dit besluit ten grondslag zijn gelegd is gebleken dat deze volledige arbeidsongeschiktheid is gebaseerd op toegenomen arbeidsongeschiktheid ten gevolge van toegenomen psychische klachten per 1 januari 2013. De brief van psychiater Hofman van 24 april 2013 leidt evenmin tot een ander oordeel. De Raad verwijst naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 augustus 2014, waarin deze erop heeft gewezen dat de brief van Hofman dateert van ruim na de datum in geding en dat bovendien uit de brief blijkt dat de geestelijke gezondheid van appellant na de datum in geding is verslechterd. Er is geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige, zoals door appellant is verzocht.
4.3.
Uitgaande van een juiste vaststelling van de functionele mogelijkheden van appellant is er geen reden om te twijfelen aan de medische geschiktheid van de voor appellant geduide functies. De rechtbank heeft met juistheid en op goede gronden de motivering van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in het rapport van 2 juli 2012 onderschreven.
5. De overwegingen 4.1 tot en met 4.3 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun als voorzitter en C.C.W. Lange en
A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2015.
(getekend) B.M. van Dun
(getekend) B. Fotchind

QH