Appellant, sinds 1973 werkzaam bij de gemeente en sinds 2004 als marktmeester op een markt in Amsterdam, werd verdacht van integriteitsschending door het aannemen van geld en goederen van marktkooplieden. Na een onderzoek door het Bureau Integriteit werd hij geschorst en uiteindelijk onvoorwaardelijk ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim.
De Raad stelde vast dat de schorsing en het aanwezigheidsverbod terecht waren opgelegd op grond van concrete verdenking van plichtsverzuim en het dienstbelang. De Raad oordeelde dat het college voldoende gemotiveerd had waarom het vertrouwen in appellant was geschaad.
Appellant voerde onder meer aan dat de observaties niet objectief waren en dat er sprake was van een cultuur waarin fooien werden geaccepteerd. Deze verweren werden verworpen. De Raad vond de bewijslast toereikend en oordeelde dat het onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig was, ondanks de lange staat van dienst en leeftijd van appellant.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Amsterdam bevestigd.