Uitspraak
24 mei 2013, 12/723 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene was tot 1 januari 2010 in dienst bij appellante en ontving daarna een WW-uitkering. Vanaf 1 maart 2010 werkte zij als directeur bij een BV, waarvoor het Uwv onderzoek deed naar de aard en omvang van haar werkzaamheden. Het Uwv concludeerde dat betrokkene als zelfstandige werkte en beëindigde haar WW-uitkering per 27 september 2010.
Appellante stelde beroep in tegen het besluit waarin het Uwv niet had vastgesteld of betrokkene als zelfstandige of werknemer werkte, omdat dit financiële gevolgen had voor het recht op een bovenwettelijke uitkering. De rechtbank vernietigde het besluit en gaf het Uwv opdracht een nieuw besluit te nemen. Het Uwv stelde vast dat betrokkene als zelfstandige werkte en beëindigde de WW-uitkering.
Appellante had geen inhoudelijke bezwaren meer tegen dit nieuwe besluit, waardoor haar hoger beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens het ontbreken van een procesbelang. Betrokkene stelde beroep in tegen het nieuwe besluit, maar omdat zij inmiddels in dienst was en de WW-uitkering was beëindigd, ontbrak ook voor haar een actueel belang. Daarom werd ook haar beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellante en het beroep van betrokkene worden niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een actueel belang.