ECLI:NL:CRVB:2015:987
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering ondanks beroep op verjaring en dringende redenen
Appellant, werkzaam als vuilnissorteerder, ontving vanaf 12 september 2000 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80-100%. Bij herbeoordeling in 2005 werd deze uitkering ongewijzigd voortgezet. In 2012 stelde het UWV echter vast dat appellant sinds 15 juli 2005 minder dan 15% arbeidsongeschikt was en trok de uitkering met terugwerkende kracht in. Het UWV vorderde vervolgens de onverschuldigd betaalde bedragen over de periode 15 juli 2005 tot en met 31 juli 2012 terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze terugvordering ongegrond en stelde dat het besluit tot herziening en intrekking van de uitkering onherroepelijk was geworden. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de vordering verjaard was en dat er dringende redenen waren om van terugvordering af te zien, mede op grond van het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de verjaringstermijn pas in 2012 aanving, toen het UWV daadwerkelijk bekend werd met de feiten die de onverschuldigde betaling aantonen. De Raad vond geen aanleiding om van terugvordering af te zien wegens dringende redenen, omdat appellant deze niet concreet had onderbouwd. Ook het beroep op ongeschreven rechtsbeginselen werd verworpen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de onverschuldigde WAO-uitkering bevestigd.