ECLI:NL:CRVB:2014:2377
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens gezamenlijke huishouding en terugvordering
Betrokkene ontving bijstand sinds 1997, maar het college van burgemeester en wethouders van Haarlem vermoedde dat hij een gezamenlijke huishouding voerde met B, zonder dit te melden, wat leidde tot een onderzoek door de sociale recherche. Op basis van verklaringen van betrokkene, B, buurtbewoners en familieleden concludeerde het college dat sprake was van een gezamenlijke huishouding vanaf medio 1996.
De rechtbank Haarlem vernietigde het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand, omdat betrokkene aannemelijk had gemaakt dat er geen gezamenlijk hoofdverblijf was. Het college ging in hoger beroep en stelde dat de onderzoeksbevindingen voldoende feitelijke grondslag boden voor het oordeel dat wel sprake was van een gezamenlijke huishouding.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom zij het tegendeel aannam en dat de verklaringen en onderzoeksbevindingen voldoende waren om een gezamenlijke huishouding aan te nemen. Betrokkene had zijn inlichtingenplicht geschonden, waardoor het college bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het beroep op verjaring en onredelijkheid van de terugvordering werd verworpen.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd.