ECLI:NL:CRVB:2016:1017
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling dagloon door UWV conform Werkloosheidswet en Dagloonbesluit
Appellant was werkzaam bij een stichting tot zijn ontslag per 1 augustus 2012 en ontving daarna een Ziektewetuitkering. Vanaf 21 juni 2013 vroeg hij een WW-uitkering aan. Het UWV stelde het dagloon vast op €175,75, waarbij het refertejaar onjuist werd bepaald, maar dit was niet nadelig voor appellant. Appellant maakte bezwaar tegen de hoogte van het dagloon, met name omdat niet alle opgebouwde aanspraken zoals eindejaarsuitkering en bindingstoelage werden meegenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV het dagloon correct had berekend volgens de geldende wettelijke bepalingen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het oude Besluit dagloonregels van toepassing zou moeten zijn en dat het huidige Dagloonbesluit ongelijkheid en willekeur veroorzaakt. De Raad oordeelde echter dat het Dagloonbesluit op appellant van toepassing is en dat de verschillen in uitkomsten niet in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel of het verbod van willekeur.
Verder stelde de Raad vast dat de aanspraken op eindejaarsuitkering en bindingstoelage geen loon vormen dat in het refertejaar vorderbaar was en daarom niet bij de dagloonberekening betrokken hoeven te worden. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de vaststelling van het dagloon door het UWV conform artikel 45 WW en het Dagloonbesluit wordt bevestigd.