ECLI:NL:CRVB:2016:1025
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag maatschappelijke opvang op grond van de Wmo wegens ontbreken noodsituatie
Appellant, een in Algerije geboren persoon zonder rechtmatig verblijf in Nederland, vroeg maatschappelijke opvang aan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht wees deze aanvraag af omdat appellant niet tot de categorie kwetsbare personen behoorde die recht hebben op opvang volgens artikel 8 EVRM Pro en de Vreemdelingenwet.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, omdat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij in een situatie van onmiddellijke nood verkeerde. Appellant stelde in hoger beroep dat hij niet kon terugkeren naar Algerije en niet beschikte over middelen voor onderdak, voeding en kleding.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de relevante beoordelingsperiode liep van de datum van aanvraag tot de beslissing op bezwaar. Op basis van vaste rechtspraak is recht op opvang alleen aanwezig indien de fysieke en psychische gezondheid substantieel wordt bedreigd door het ontbreken van opvang. In dit geval was niet in geschil dat appellant zich niet in zo’n situatie bevond.
De Raad concludeerde dat appellant niet tot de beschermde categorie behoorde en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die recht op opvang zouden rechtvaardigen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag maatschappelijke opvang bevestigd.