ECLI:NL:CRVB:2016:1032
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.M. van Dun
- E. Dijt
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Blijvende weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door diefstal tas
Appellant trad in juli 2013 in dienst als schoonmaker en werd op 7 maart 2014 op staande voet ontslagen wegens diefstal van een damestas. Hoewel de arbeidsovereenkomst later met wederzijds goedvinden werd beëindigd via een vaststellingsovereenkomst waarin werd erkend dat appellant niet de opzet had de tas wederrechtelijk toe te eigenen, bleef de vertrouwensbreuk onherstelbaar.
Het UWV weigerde de WW-uitkering blijvend geheel omdat appellant verwijtbaar werkloos is, gelet op het ontslag wegens dringende reden. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en oordeelde dat de diefstal aannemelijk was en dat appellant geen geloofwaardige verklaring had voor het meenemen van de tas zonder melding.
In hoger beroep stelde appellant dat hij de tas aan de voorvrouw wilde teruggeven en dat de vaststellingsovereenkomst duidelijk maakte dat er geen opzet tot wederrechtelijke toe-eigening was. De Raad overwoog dat de materiële beoordeling van het ontslag en de verwijtbaarheid van werkloosheid leidend is, niet de wijze van beëindiging van het dienstverband.
De Raad concludeerde dat de diefstal voldoende vaststaat, dat appellant verwijtbaar werkloos is en dat het UWV de uitkering terecht heeft geweigerd. De vaststellingsovereenkomst doet hieraan niet af omdat het ontslag op staande voet wegens diefstal is gegeven en deze terecht is komen vast te staan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De WW-uitkering is terecht blijvend geheel geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid door diefstal.