ECLI:NL:CRVB:2011:BP0907
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na bewezen diefstal
Appellant, werkzaam als beveiligingsmedewerker, werd op 17 april 2009 op staande voet ontslagen wegens diefstal van geld uit een waardekistje bij de opdrachtgever. Dit werd bevestigd door camerabeelden en een aangifte bij de politie. Het UWV weigerde daarop een WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid.
Appellant betwistte de diefstal en voerde aan dat hij niet over alle stukken beschikte en dat het UWV een zelfstandige onderzoeksplicht had. Tijdens de procedure bleek dat appellant en zijn werkgever een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten waarbij het ontslag werd bevestigd. De Raad oordeelde dat het bewijs van diefstal geleverd was door de camerabeelden en het rapport van het onderzoeksbureau, en dat de ontkenningen van appellant ongeloofwaardig waren.
Het UWV had een zorgvuldig onderzoek verricht en er was geen reden om het ontslag niet als dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW Pro te beschouwen. De Raad concludeerde dat de werkloosheid appellant in overwegende mate kan worden verweten en bevestigde het bestreden besluit. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na bewezen diefstal.