ECLI:NL:CRVB:2016:1043

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 maart 2016
Publicatiedatum
24 maart 2016
Zaaknummer
15-321 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 88 Besluit algemene rechtspositie politie
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling pensioenberekening bij functioneel leeftijdsontslag politie

Appellant, geboren in 1949 en werkzaam bij de politie sinds 1977, werd per 1 juli 2001 ontslagen wegens ziekte. Vastgesteld is dat sprake is van een beroepsziekte, waarvoor rechtspositionele voorzieningen zijn toegekend. Appellant stelde een pensioengat vast tussen zijn 62e en 65e jaar en verzocht de korpschef dit te herstellen.

De korpschef wees het verzoek af omdat hij uitging van een pensioenleeftijd van 61 jaar en acht maanden, de gemiddelde pensioenleeftijd van politiemensen uit appellant's geboortejaar. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij gemotiveerd was door te werken tot 65 jaar en dat de korpschef het bewijsrisico droeg om aan te tonen dat hij niet zou hebben doorgewerkt.

De Raad oordeelde dat op grond van artikel 88 van Pro het Besluit algemene rechtspositie politie functioneel leeftijdsontslag op 60 jaar ligt, tenzij uitstel is verleend. Hierdoor rust het bewijsrisico op appellant om aannemelijk te maken dat hij na 60 jaar zou hebben doorgewerkt. De Raad achtte het niet onredelijk dat de korpschef uitging van de representatieve gemiddelde pensioenleeftijd van 61 jaar en acht maanden. Het hoger beroep werd afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de berekening van pensioenschade op basis van de gemiddelde pensioenleeftijd wordt bevestigd.

Uitspraak

15/321 AW
Datum uitspraak: 3 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
28 november 2014, 14/29 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] (voorheen [naam A.]) te [woonplaats] (appellant)
de korpschef van politie (korpschef)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat, hoger beroep ingesteld.
De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Leest. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. J.P.C. van der Tas.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant, geboren [in] 1949, was vanaf 1977 werkzaam bij de politie in diverse functies. Per 1 juli 2001 is hij ontslagen wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Bij uitspraak van de Raad van 23 maart 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AX1651) is komen vast te staan dat sprake is van een beroepsziekte. Aan appellant zijn alsnog rechtspositionele voorzieningen voor ziekte en invaliditeit wegens een beroepsziekte toegekend.
1.2.
De rechtsvoorganger van de korpschef was bereid om ook de schade te vergoeden die appellant tussen zijn 65e en zijn 80e jaar zou lijden door als gevolg van zijn beroepsziekte te derven pensioen. Omdat uit een brief van Loyalis van 2 november 2006 bleek dat de opbouw van pensioenrechten al voor 100% door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen plaatsvond, hebben partijen hierover toen geen verdere afspraken gemaakt.
1.3.
In 2012 heeft het ABP op verzoek van appellant het verschil berekend tussen het ABP Ouderdomspensioen dat hij zou bereiken als de situatie van arbeidsongeschiktheid zich niet zou hebben voorgedaan en zijn pensioensituatie op dat moment. Daaruit kwam een pensioengat naar voren van € 5.944,- per jaar. Dit pensioengat is ontstaan doordat tussen het 62e en het 65e jaar geen pensioen meer is opgebouwd. Op 18 oktober 2012 heeft appellant de korpschef verzocht dit pensioengat te herstellen.
1.4.
Bij besluit van 2 januari 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 december 2013 (bestreden besluit), heeft de korpschef dit verzoek afgewezen op de grond dat appellant, als hij op de leeftijd van 61 jaar en acht maanden (de gemiddelde pensioenleeftijd van politiemensen uit zijn geboortejaar) met pensioen zou zijn gegaan, een ouderdomspensioen zou hebben van € 16.068,60 bruto per jaar. Dit is lager dan de pensioenprognose van
€ 16.411,- bruto per jaar, uitgaande van zijn huidige situatie, zodat er geen pensioengat is. De korpschef is daarbij uitgegaan van de pensioengrondslag van het ABP, die afwijkt van de opgave die appellant aan het ABP had gedaan.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij meent dat de korpschef ten onrechte is uitgegaan van de gemiddelde pensioenleeftijd in plaats van pensionering vanaf zijn 65e jaar. Appellant was zeer gemotiveerd en had beslist tot zijn 65e jaar willen doorwerken. Het ligt op de weg van de korpschef om te bewijzen dat hij dat niet zou hebben gedaan en de korpschef kan dan ook niet uitgaan van de hypothetische situatie dat hij zou hebben doorgewerkt tot de gemiddelde pensioenleeftijd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Partijen zijn het erover eens dat de pensioengrondslag van het ABP, waarvan de korpschef in zijn besluit van 2 januari 2013 is uitgegaan, juist is en dat de korpschef bij het berekenen van de gemiddelde pensioenleeftijd van 61 jaar en acht maanden is uitgegaan van een in vergelijking met appellant representatieve groep. Zij verschillen uitsluitend van mening over het antwoord op de vraag of de korpschef bij het berekenen van de pensioenschade heeft mogen uitgaan van die gemiddelde pensioenleeftijd.
4.2.
Uitgangspunt is dat appellant zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou verkeren indien het schadeveroorzakend feit zich niet zou hebben voorgedaan. Dit is een hypothetische situatie; appellant noch de korpschef kan bewijzen op welke leeftijd appellant met pensioen zou zijn gegaan als hij niet ziek was geworden. Appellant, die op
1 januari 2001 50 jaar of ouder was, zou op grond van artikel 88 van Pro het Besluit algemene rechtspositie politie bij 60 jaar met functioneel leeftijdsontslag hebben moeten gaan, tenzij het ontslag, zo nodig na een arbeidsgezondheidskundig onderzoek, op zijn verzoek zou zijn uitgesteld. Gelet op deze verplichte ontslagleeftijd van in beginsel 60 jaar, is de Raad van oordeel dat appellant er het bewijsrisico van dient te dragen dat achteraf niet meer aannemelijk kan worden gemaakt dat hij ook daarna zou hebben gewerkt. De Raad neemt weliswaar aan dat appellant een zeer gemotiveerde politiemedewerker was, maar hetzelfde geldt voor vele andere politiemedewerkers, zodat daarmee niet aannemelijk is gemaakt dat appellant na zijn 60e jaar zou hebben doorgewerkt. In de gegeven situatie acht de Raad het niet onredelijk dat de korpschef is uitgegaan van de gemiddelde leeftijd van 61 jaar en acht maanden waarop mensen die in een vergelijkbare positie verkeren als appellant daadwerkelijk met pensioen zijn gegaan.
4.3.
Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt.
5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.N.A. Bootsma en
J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2016.
(getekend) J.J.A. Kooijman
(getekend) M.S. Spek

HD