ECLI:NL:CRVB:2016:1043
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling pensioenberekening bij functioneel leeftijdsontslag politie
Appellant, geboren in 1949 en werkzaam bij de politie sinds 1977, werd per 1 juli 2001 ontslagen wegens ziekte. Vastgesteld is dat sprake is van een beroepsziekte, waarvoor rechtspositionele voorzieningen zijn toegekend. Appellant stelde een pensioengat vast tussen zijn 62e en 65e jaar en verzocht de korpschef dit te herstellen.
De korpschef wees het verzoek af omdat hij uitging van een pensioenleeftijd van 61 jaar en acht maanden, de gemiddelde pensioenleeftijd van politiemensen uit appellant's geboortejaar. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij gemotiveerd was door te werken tot 65 jaar en dat de korpschef het bewijsrisico droeg om aan te tonen dat hij niet zou hebben doorgewerkt.
De Raad oordeelde dat op grond van artikel 88 van Pro het Besluit algemene rechtspositie politie functioneel leeftijdsontslag op 60 jaar ligt, tenzij uitstel is verleend. Hierdoor rust het bewijsrisico op appellant om aannemelijk te maken dat hij na 60 jaar zou hebben doorgewerkt. De Raad achtte het niet onredelijk dat de korpschef uitging van de representatieve gemiddelde pensioenleeftijd van 61 jaar en acht maanden. Het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de berekening van pensioenschade op basis van de gemiddelde pensioenleeftijd wordt bevestigd.