ECLI:NL:CRVB:2016:1046
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag na intrekking wegens onduidelijke woonsituatie bevestigd
Appellant ontving sinds november 2010 bijstand en werd in januari 2013 onderzocht naar zijn woonsituatie na een politieactie. Sociaal rechercheurs stelden vast dat appellant niet op het opgegeven adres woonde, wat leidde tot intrekking van de bijstand per 19 oktober 2012. Appellant verbleef daarna in detentie en diende in mei 2013 een nieuwe aanvraag in, met het opgegeven adres als hoofdverblijf.
Het college wees de aanvraag af omdat er geen wijziging in de woonsituatie was vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel degelijk op het opgegeven adres woonde, met bewijs zoals een verhuisbericht, inschrijving bij de zorgverzekeraar en kentekenregistratie.
De Raad oordeelde dat appellant niet had aangetoond dat hij daadwerkelijk op het adres woonde. De verklaring van de bewoonster van het adres en haar zoon uit januari 2013, waarin werd gesteld dat appellant daar niet woonde, bleef onweerlegbaar. De latere verklaring van de bewoonster was niet gedateerd en kon niet doorslaggevend zijn. Documenten zoals kentekenregistratie en correspondentie waren onvoldoende om hoofdverblijf aan te tonen.
De Raad bevestigde dat het college niet verplicht was tot nader onderzoek en verwierp het hoger beroep. De uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant bleef daarmee in stand en de aanvraag werd definitief afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs van hoofdverblijf op het opgegeven adres.