ECLI:NL:CRVB:2016:1046

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 maart 2016
Publicatiedatum
24 maart 2016
Zaaknummer
15-47 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15-47 WWB
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsaanvraag na intrekking wegens onduidelijke woonsituatie bevestigd

Appellant ontving sinds november 2010 bijstand en werd in januari 2013 onderzocht naar zijn woonsituatie na een politieactie. Sociaal rechercheurs stelden vast dat appellant niet op het opgegeven adres woonde, wat leidde tot intrekking van de bijstand per 19 oktober 2012. Appellant verbleef daarna in detentie en diende in mei 2013 een nieuwe aanvraag in, met het opgegeven adres als hoofdverblijf.

Het college wees de aanvraag af omdat er geen wijziging in de woonsituatie was vastgesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat hij wel degelijk op het opgegeven adres woonde, met bewijs zoals een verhuisbericht, inschrijving bij de zorgverzekeraar en kentekenregistratie.

De Raad oordeelde dat appellant niet had aangetoond dat hij daadwerkelijk op het adres woonde. De verklaring van de bewoonster van het adres en haar zoon uit januari 2013, waarin werd gesteld dat appellant daar niet woonde, bleef onweerlegbaar. De latere verklaring van de bewoonster was niet gedateerd en kon niet doorslaggevend zijn. Documenten zoals kentekenregistratie en correspondentie waren onvoldoende om hoofdverblijf aan te tonen.

De Raad bevestigde dat het college niet verplicht was tot nader onderzoek en verwierp het hoger beroep. De uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant bleef daarmee in stand en de aanvraag werd definitief afgewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens onvoldoende bewijs van hoofdverblijf op het opgegeven adres.

Uitspraak

15/47 WWB
Datum uitspraak: 15 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 22 december 2014, 14/2054 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van [woonplaats] (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van de Laar. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. A.J. Rijkers.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving sinds 26 november 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Op 22 januari 2013 vond er een politieactie plaats op het woonwagenkamp aan de [adres] te [woonplaats] (straat), gericht op handhaving van de Opiumwet. Aansluitend heeft een bestuurlijke controle heeft plaatsgevonden, waarbij twee sociaal rechercheurs, werkzaam bij de sector Werk van de gemeente Eindhoven, een onderzoek hebben ingesteld naar de woonsituatie van appellant. De sociaal rechercheurs hebben die dag een huisbezoek afgelegd op het door appellant opgegeven adres aan de straat 28 (opgegeven adres). Appellant stond sinds 19 oktober 2012 op dit adres ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA; thans: Basisregistratie personen). De sociaal rechercheurs hebben van hun bevindingen een rapport opgemaakt. Volgens dit rapport hebben de bewoonster van het opgegeven adres, E. Burhenne (B) en haar zoon verklaard dat appellant nooit op het opgegeven adres heeft gewoond, dat er geen kleding, post of persoonlijke spullen van appellant liggen en dat appellant dat adres alleen als postadres gebruikt. Appellant is die dag aangetroffen in de woonwagen van zijn ex-echtgenote aan de straat 22, waar onder meer verzorgingsproducten en poststukken op naam van appellant werden aangetroffen. Appellant heeft op 23 januari 2013 tegenover de sociaal rechercheurs verklaard dat hij eerst aan de straat 18 woonde, dat hij daar niet meer mag wonen van de woningbouwvereniging, dat zijn oudste dochter die woonwagen nu huurt, dat er daar nog wel jassen, onderbroeken en bovenkleding van hem liggen, dat hij daar nog elke dag komt, maar dat hij woont op het opgegeven adres.
1.2.
Bij besluit van 8 februari 2013 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 19 oktober 2012 ingetrokken op de grond dat appellant geen hoofdverblijf heeft gehad op het door hem opgegeven adres. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.
1.3.
In de periode van 22 januari 2013 tot en met 21 februari 2013 verbleef appellant in detentie. Na een melding op 10 april 2013 heeft appellant op 2 mei 2013 bij het college een nieuwe aanvraag om bijstand ingediend. Bij zijn aanvraag heeft appellant vermeld dat hij inwonend is bij zijn tante B, op het opgegeven adres. Bij verhuisbericht van 1 mei 2013 heeft appellant aangegeven dat hij sinds oktober 2012 bij zijn tante een kamer huurt en hij haar hiervoor € 150,- per maand is verschuldigd.
1.4.
Bij besluit van 28 mei 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 27 mei 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat geen sprake is van gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de op 22 januari 2013 vastgestelde woonsituatie.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, samengevat, het volgende aangevoerd. Er is wel degelijk sprake van nieuwe feiten en omstandigheden, aangezien appellant na afloop van zijn detentie is gaan wonen op het opgegeven adres. Hij heeft een verhuisbericht gestuurd, hij heeft zich op dit adres ingeschreven, hij heeft bij zijn zorgverzekeraar gemeld dat hij op dit adres woont en op
12 april 2013 heeft hij bij de dienst wegverkeer (RDW) een kenteken op dit adres geregistreerd. Het college heeft zich ten onrechte gebaseerd op een door B op 22 januari 2013 afgelegde verklaring en heeft ten onrechte geen nader onderzoek ingesteld naar de feitelijke situatie ten tijde van de nieuwe aanvraag. Bovendien heeft B nadien verklaard dat appellant woont op het opgegeven adres.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In een geval als dit, waarin na een eerdere intrekking van een bijstandsuitkering een nieuwe aanvraag voorligt, gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het in het algemeen op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.
4.2.
Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant hierin niet is geslaagd. De onduidelijkheid over de woonsituatie van appellant die ten tijde van de intrekking van de bijstand bij besluit van 8 februari 2013 bestond, heeft appellant niet opgehelderd. In het door appellant bij de aanvraag ingeleverde verhuisbericht van 1 mei 2013 staat dat hij sinds oktober 2012 bij zijn tante woont. Uit de op 22 januari 2013 door B en haar zoon afgelegde en ondertekende verklaring blijkt echter dat appellant nooit op haar adres heeft gewoond. Aan de door appellant overgelegde en door B ondertekende verklaring waarin staat dat hij wel bij B woont, kan niet die betekenis worden toegekend die appellant daaraan gehecht wenst te zien, reeds omdat deze verklaring niet is gedateerd. Uit de overige door appellant overgelegde stukken kan evenmin worden afgeleid dat appellant vanaf de aanvraag woonde op het opgegeven adres. Uit het feit dat het opgegeven adres is gebruikt voor kentekenregistratie van een auto die op naam van appellant staat en dat correspondentie van een ziektekostenverzekering is geadresseerd aan het opgegeven adres, kan niet worden afgeleid dat appellant vanaf de aanvraag daadwerkelijk zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres. Anders dan appellant betoogt, was het college op grond van wat appellant heeft aangedragen, niet gehouden nader onderzoek te verrichten.
4.3.
Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en A.M. Overbeeke en
J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2016.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD