ECLI:NL:CRVB:2016:1114
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WW-dagloon wegens niet-toepassen dagloongarantie bij doorlopende dienstbetrekking
Appellante was sinds 2002 in dienst bij dezelfde werkgever met wisselende uren per seizoen. Na een tijdelijke beëindiging van haar WW-uitkering door het hervatten van werk, werd haar dagloon bij een nieuwe WW-uitkering verlaagd omdat geen recht bestond op de dagloongarantie van artikel 12 van Pro het Dagloonbesluit.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de wijziging van artikel 45 van Pro de WW per 1 juni 2013 en de invoering van het Dagloonbesluit gericht waren op vereenvoudiging en kostenbesparing, waarbij de dagloongarantie beperkt werd tot werknemers die vanuit werkloosheid een nieuwe baan aannemen. Werknemers die zonder tussenliggende werkloosheid overstappen, vallen hier niet onder.
De Raad stelde vast dat het overgangsrecht onvoldoende rekening hield met werknemers die vóór 1 juni 2013 zonder tussenliggende werkloosheid overstapten, maar dat dit geen grond vormt om het besluit buiten toepassing te laten. Ook internationale verdragsrechtelijke bezwaren werden verworpen omdat er geen sprake is van onrechtmatige discriminatie of ontneming van eigendomsrechten.
Omdat appellante geen nieuwe dienstbetrekking had aangegaan maar een doorlopende arbeidsovereenkomst had, was artikel 12 niet Pro van toepassing en was de verlaging van het dagloon terecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De verlaging van het WW-dagloon van appellante is terecht en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.