ECLI:NL:CRVB:2016:1153
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling aanvraag maatschappelijke opvang en toepassing artikel 8 EVRM
Appellant, een Ghanese nationaliteit houdende persoon, vroeg om uitbreiding van maatschappelijke opvang nadat zijn verblijfsvergunning niet werd verlengd. Hij ontving een bedrag uit het Fonds Gevolgen Vreemdelingenwetgeving (FGV) om dakloosheid te voorkomen, maar het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam weigerde een hogere vergoeding toe te kennen.
De rechtbank oordeelde dat appellant niet tot de kwetsbare categorie behoorde die op grond van artikel 8 EVRM Pro recht heeft op maatschappelijke opvang. Dit oordeel werd bevestigd door de Centrale Raad van Beroep. Medisch advies toonde aan dat er geen substantiële bedreiging van de fysieke of psychische gezondheid was wanneer appellant geen opvang zou ontvangen.
De Raad stelde vast dat de periode van beoordeling liep van 3 januari 2013 tot en met 19 augustus 2013. Het college handelde binnen haar beleidskader door de uitkering te verlagen wegens het ontbreken van inzicht in woonkosten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd dat appellant geen recht heeft op uitbreiding van maatschappelijke opvang.